Niets is wat het lijkt: Het dagboek van Gala

‘Gala, je moet nu komen. Iwona is helemaal overstuur.’ De stem van Wioletta, mijn collega, trilt als ze de deur van de artsenkamer opendoet. Ik kijk op van mijn aantekeningen. Mijn hand blijft even hangen boven het papier. ‘Wat is er gebeurd?’ vraag ik, terwijl ik snel mijn witte jas recht trek en mijn haar onder het mutsje duw.

‘Ze wil naar huis. Ze heeft de hele nacht gehuild en gesmeekt om haar kleren. Ze zegt dat ze niet gek is, dat niemand haar gelooft.’

Ik knik en loop met snelle passen naar zaal vijf. Mijn hart bonkt in mijn keel. Iwona ligt op haar zij, haar gezicht nat van de tranen. Ze kijkt me aan met een blik die ik niet snel zal vergeten: wanhopig, maar ergens ook strijdlustig.

‘Mevrouw dokter, alsjeblieft… laat me gaan. Ik hoor hier niet thuis. Ik ben niet ziek!’ Haar stem breekt halverwege de zin.

Ik ga naast haar zitten en pak voorzichtig haar hand vast. ‘Iwona, ik begrijp dat het moeilijk is. Maar je bent hier voor je eigen veiligheid. Je ouders maken zich zorgen om je.’

Ze trekt haar hand weg. ‘Mijn ouders…’ Ze spuugt het woord bijna uit. ‘Ze willen gewoon van me af! Ze luisteren nooit naar me! Jullie geloven allemaal hun leugens.’

Ik voel een steek van twijfel. Hoe vaak heb ik dit soort verhalen gehoord? Jongeren die zich onbegrepen voelen, ouders die radeloos zijn. Maar iets aan Iwona’s blik maakt me onrustig.

Die dag kan ik me niet concentreren. Tijdens de overdracht hoor ik mezelf praten, maar mijn gedachten dwalen steeds af naar Iwona. Wat als ze gelijk heeft? Wat als we iets over het hoofd zien?

Na mijn dienst fiets ik door de regen naar huis, naar mijn kleine appartement in Utrecht-Oost. Mijn man, Jeroen, zit aan de keukentafel met onze zoon Bram van elf. De geur van stamppot vult het huis.

‘Je bent laat,’ zegt Jeroen zonder op te kijken van zijn laptop.

‘Drukke dag,’ mompel ik terwijl ik mijn jas ophang.

Bram kijkt me onderzoekend aan. ‘Mama, waarom ben je verdrietig?’

Ik glimlach flauwtjes. ‘Soms gebeuren er dingen op het werk die je niet zomaar loslaat.’

Die nacht droom ik van Iwona’s ogen. Ze staren me aan, vol verwijt en angst.

De volgende ochtend besluit ik haar dossier nog eens goed te lezen. Haar moeder, Marijke van Dijk, heeft haar laten opnemen na een ruzie over schoolresultaten en een vriendje dat haar ouders niet zagen zitten. Volgens Marijke was Iwona ‘onhandelbaar’ geworden sinds haar vader het gezin had verlaten.

Tijdens het gesprek met Marijke valt me iets op. Ze praat veel over zichzelf, over haar teleurstellingen en angsten. Over Iwona zegt ze vooral wat er mis is: ‘Ze liegt, ze manipuleert, ze maakt me gek.’

‘Heeft u het idee dat Iwona u iets probeert duidelijk te maken?’ vraag ik voorzichtig.

Marijke lacht schamper. ‘Dat kind leeft in haar eigen wereld. Ze verzint alles bij elkaar.’

Als Marijke weg is, blijf ik nog even zitten met mijn gedachten. Mijn eigen moeder was ook zo: altijd overtuigd dat zij gelijk had, nooit luisterend naar wat ik voelde.

’s Avonds thuis barst de bom tussen Jeroen en mij. Hij vindt dat ik te veel met mijn werk bezig ben en te weinig met ons gezin.

‘Je bent er nooit echt,’ zegt hij boos. ‘Zelfs als je thuis bent, ben je met je hoofd ergens anders.’

‘Het spijt me,’ zeg ik zacht. ‘Maar sommige dingen laten me gewoon niet los.’

‘En wij dan? Laat jij ons ook los?’

Zijn woorden snijden dieper dan ik wil toegeven.

De dagen verstrijken en Iwona’s toestand verslechtert. Ze weigert te eten, praat nauwelijks nog met de verpleging. Op een avond vind ik haar huilend in bed.

‘Waarom gelooft niemand mij?’ fluistert ze.

Ik weet het antwoord niet meer.

Op een dag komt haar vader onverwacht langs. Hij is een stille man met vermoeide ogen en ruwe handen.

‘Ik weet niet wat er gebeurd is,’ zegt hij zacht terwijl hij naar zijn handen staart. ‘Sinds de scheiding… alles is anders geworden.’

‘Heeft u contact met Iwona?’ vraag ik.

Hij schudt zijn hoofd. ‘Marijke wil niet dat ik kom. Ze zegt dat het beter is zo.’

Na zijn bezoek lijkt Iwona op te leven. Ze vraagt of ze hem mag bellen. Ik regel het voor haar.

Het gesprek tussen vader en dochter raakt me diep:

‘Papa? Ben jij daar echt?’
‘Ja meisje, ik ben er.’
‘Waarom heb je me alleen gelaten?’
‘Het spijt me zo…’

Iwona huilt zachtjes, maar voor het eerst zie ik hoop in haar ogen.

Langzaam begint ze weer te eten en deel te nemen aan therapie. Maar de relatie met haar moeder blijft gespannen.

Op een dag stormt Marijke boos mijn kantoor binnen.

‘Wat denkt u wel niet? U zet mijn dochter tegen mij op! U begrijpt er helemaal niets van!’

Ik probeer rustig te blijven. ‘Mevrouw van Dijk, misschien kunnen we samen kijken wat Iwona nodig heeft om zich veilig te voelen.’

Ze weigert te luisteren en vertrekt woedend.

Die avond zit ik alleen op de bank, terwijl Jeroen en Bram televisie kijken in de woonkamer. Ik voel me leeg en schuldig. Heb ik het juiste gedaan? Of heb ik onbedoeld olie op het vuur gegooid?

Een week later wordt Iwona ontslagen uit het ziekenhuis. Haar vader komt haar ophalen. Marijke is er niet bij.

Voordat ze vertrekt, geeft Iwona me een briefje:

‘Dank u wel dat u geluisterd heeft. U was de enige die mij zag.’

Ik slik mijn tranen weg als ze wegloopt.

Thuis probeer ik weer contact te maken met Jeroen en Bram. We gaan samen naar het park, eten ijsjes en praten over kleine dingen.

Maar diep vanbinnen blijft de vraag knagen: hoeveel mensen lopen er rond zonder dat iemand écht naar ze luistert? Hoe vaak nemen we genoegen met de schijn, omdat de waarheid te pijnlijk is?

Misschien is niets ooit echt wat het lijkt… Wat denken jullie: durven we elkaar echt te zien zoals we zijn?