Tussen de Schappen: Mijn Strijd in de Supermarkt

‘Mevrouw, kunt u misschien een beetje opschieten?’ De stem van de jonge vrouw achter me klinkt ongeduldig, bijna snijdend. Mijn handen trillen lichtjes terwijl ik worstel om mijn portemonnee uit mijn tas te halen. De kassa piept, de rij groeit, en ik voel de ogen in mijn rug branden. Waarom lijkt iedereen altijd zo’n haast te hebben?

Ik ben Anna, 78 jaar, en boodschappen doen is voor mij geen routineklusje meer, maar een ware beproeving. Vroeger liep ik fluitend door de Albert Heijn, maar nu voelt het alsof elk gangpad een hindernisbaan is. Mijn heup doet pijn, mijn zicht is niet meer wat het was, en de schappen lijken steeds hoger te worden. Soms vraag ik me af of ze expres alles buiten mijn bereik zetten.

‘Mam, je moet echt niet meer alleen gaan,’ zei mijn dochter Marieke laatst nog. Maar ik wil niet afhankelijk zijn. Ik wil zelf bepalen wat ik eet, zelf kiezen welke appels ik koop en welke yoghurt ik lekker vind. Toch hoor ik haar stem in mijn hoofd terwijl ik met mijn rollator langs het brood loop. De verse broden liggen net iets te ver naar achteren. Ik kijk om me heen, zoekend naar hulp.

‘Mag ik u misschien even helpen?’ Een vriendelijke jongen met een Albert Heijn-shirt glimlacht naar me. Dankbaar knik ik, maar voel tegelijkertijd een steek van schaamte. Waarom kan ik dit niet meer zelf? Hij pakt het volkorenbrood voor me en legt het voorzichtig in mijn mandje.

‘Dankjewel,’ mompel ik zachtjes.

‘Geen probleem hoor, mevrouw! Fijne dag nog!’ Hij loopt alweer weg voordat ik iets terug kan zeggen.

Ik schuifel verder, langs de zuivel. De melk staat op de onderste plank, maar als ik buk voel ik mijn rug protesteren. Ik zucht diep. Achter me hoor ik twee vrouwen praten.

‘Ze zouden die supermarkten echt toegankelijker moeten maken voor ouderen,’ zegt de een.

‘Ja joh, maar dat kost geld. En ouderen klagen altijd zo,’ antwoordt de ander.

Mijn wangen kleuren rood. Klagen? Is het klagen als je vraagt om een beetje hulp? Om een winkel waar je zonder angst of pijn je boodschappen kunt doen?

Bij de kassa gaat het weer mis. Mijn pinpas doet het niet meteen en de caissière kijkt me met opgetrokken wenkbrauwen aan. ‘Misschien moet u even uw pincode opnieuw intoetsen, mevrouw.’

Achter me zucht iemand luidruchtig. ‘Het duurt weer eens lekker lang zo.’

Ik voel tranen prikken achter mijn ogen, maar slik ze weg. Ik ben niet zwak. Ik ben gewoon oud geworden in een wereld die steeds sneller lijkt te draaien.

Thuisgekomen plof ik neer op de bank. Mijn boodschappen staan nog in de gang; het uitpakken komt later wel. Ik pak mijn telefoon en bel Marieke.

‘Hoi mam! Alles goed gegaan?’

‘Het ging… het ging wel,’ zeg ik aarzelend.

Ze hoort het meteen aan mijn stem. ‘Wat is er gebeurd?’

Ik vertel haar over de vrouw bij de kassa, over het brood dat ik niet kon pakken, over de blikken van ongeduld en het gevoel dat ik in de weg loop.

‘Mam, je hoeft je niet te schamen. Echt niet. Maar misschien moet je toch eens nadenken over die bezorgservice?’

‘En dan? Dan zie ik niemand meer! Dan zit ik alleen maar thuis te wachten tot iemand een krat voor mijn deur zet.’

Ze zwijgt even. ‘Misschien kan ik volgende week met je mee?’

‘Dat zou fijn zijn,’ geef ik toe, al weet ik dat ze druk is met haar werk en haar eigen gezin.

De volgende dag probeer ik het opnieuw. Ik moet naar de apotheek en besluit meteen wat verse groenten te halen bij de supermarkt ernaast. Bij binnenkomst bots ik bijna tegen een jongeman aan die druk op zijn telefoon kijkt.

‘Kijk uit ouwe!’ roept hij geïrriteerd.

Ik schrik en voel me ineens heel klein. Was ik vroeger ook zo ongeduldig? Had ik oog voor mensen die het moeilijker hadden dan ik?

Bij het groentevak zie ik een oudere man stuntelen met een zak aardappelen. Zijn handen trillen net als de mijne.

‘Zal ik u helpen?’ vraag ik voorzichtig.

Hij kijkt me dankbaar aan en samen lachen we om onze onhandigheid.

‘Ze denken dat we niks meer kunnen,’ zegt hij zachtjes.

‘Maar samen komen we er wel,’ antwoord ik.

Thuis denk ik na over alles wat er gebeurd is. Over hoe kleine gebaren – een glimlach, een helpende hand – zo veel verschil kunnen maken. Maar ook over hoe kwetsbaar je je voelt als je afhankelijk wordt van anderen in een wereld die steeds minder rekening met je houdt.

’s Avonds belt Marieke weer.

‘Mam, zullen we zaterdag samen boodschappen doen? En misschien kunnen we daarna ergens koffie drinken?’

Mijn hart maakt een sprongetje. ‘Dat lijkt me heerlijk.’

Toch blijft er iets knagen. Waarom moet het zo moeilijk zijn? Waarom is er zo weinig begrip voor mensen zoals ik? Is het echt teveel gevraagd om supermarkten toegankelijker te maken? Om even te wachten bij de kassa zonder te zuchten of te mopperen?

Misschien moeten we allemaal wat vaker stilstaan bij elkaar. Want vandaag ben ik het die worstelt met de boodschappen, maar morgen kan het zomaar iemand anders zijn.

Zou jij geduld hebben als je achter mij in de rij stond? Of zou je ook zuchten en wegkijken? Wat zou jij doen als jouw moeder hier stond?