De Schaduw van Zijn Verleden: Mijn Strijd met Saskia en Mijn Eigen Onzekerheid

‘Waarom heb je haar weer gesproken, Daan?’ Mijn stem trilt, terwijl ik de lege koffiekop op het aanrecht zet. Het is zaterdagochtend, de regen tikt tegen het raam van ons appartement in Utrecht. Daan kijkt me aan, zijn blauwe ogen ontwijken de mijne. ‘Iris, het was gewoon werk. Saskia werkt nu bij hetzelfde architectenbureau. Ik kon er niks aan doen.’

Werk. Altijd weer dat woord. Alsof het alles goedpraat. Ik voel mijn hart bonzen in mijn borstkas, een mengeling van woede en verdriet. ‘Je had het me kunnen vertellen,’ fluister ik. ‘In plaats van dat ik het via via hoor van Marieke.’

Daan zucht diep en loopt naar me toe. Hij legt zijn hand op mijn schouder, maar ik trek me terug. ‘Iris, luister nou…’

Maar ik wil niet luisteren. Niet nu. Niet als ik haar naam hoor – Saskia – de vrouw die ooit alles voor hem was. De vrouw met wie hij vijf jaar samen was, die zijn familie nog steeds uitnodigt voor verjaardagen, die zelfs zijn moeder als “de perfecte schoondochter” beschouwde. En nu is ze terug in zijn leven, als een schaduw die zich tussen ons wringt.

Die dag dwaal ik door de stad, langs de grachten waar we ooit samen wandelden. Mijn gedachten razen. Ik zie mezelf weerspiegeld in etalageruiten: een vrouw die haar glimlach is kwijtgeraakt. Ik denk terug aan hoe het begon tussen Daan en mij – een ontmoeting op een feestje van vrienden, zijn lach die me meteen raakte, de eerste kus onder de Domtoren. Alles voelde licht, vanzelfsprekend.

Totdat ik haar naam voor het eerst hoorde.

‘Saskia is gewoon een vriendin,’ zei Daan toen. Maar ik zag hoe hij oplichtte als ze belde, hoe hij lachte om haar grapjes op Facebook. En nu werken ze samen. Elke dag.

Thuisgekomen vind ik een berichtje op mijn telefoon: “Kunnen we praten? Ik hou van je.”

Ik negeer het.

’s Avonds zit ik op bed, mijn knieën opgetrokken tegen mijn borst. Mijn moeder belt. ‘Hoe gaat het met je, lieverd?’ vraagt ze.

‘Goed,’ lieg ik.

Ze hoort het meteen. ‘Iris… wat is er?’

Ik vertel haar alles. Over Saskia, over mijn angst dat ik niet genoeg ben, over de blikken van Daan als hij denkt dat ik het niet zie.

‘Je moet hem vertrouwen,’ zegt ze zacht. ‘Maar vergeet niet jezelf te vertrouwen.’

De dagen daarna probeer ik mezelf te overtuigen dat er niets aan de hand is. Maar alles voelt anders. Daan is stiller, werkt langer door. Ik betrap mezelf erop dat ik zijn telefoon check als hij doucht – iets wat ik mezelf had gezworen nooit te doen.

Op een dinsdagavond komt hij laat thuis. Zijn haar nat van de regen, zijn jas druipend op de vloer.

‘We moeten praten,’ zegt hij.

Ik knik.

‘Saskia… ze heeft het moeilijk,’ begint hij. ‘Haar vader is ziek. Ze zocht steun bij mij.’

Mijn maag draait om.

‘En jij bent haar redder?’ snauw ik.

Daan kijkt gekwetst. ‘Iris, zo bedoel ik het niet. Maar ze is een vriendin. Meer niet.’

‘Waarom voel ik me dan zo klein als zij in de buurt is?’ Mijn stem breekt.

Hij zwijgt.

De weken verstrijken. We praten minder, slapen rug aan rug. Mijn onzekerheid groeit als onkruid tussen ons in. Op een avond zit ik met Marieke in café De Zaak.

‘Je moet met haar praten,’ zegt ze plotseling.

‘Met Saskia? Ben je gek?’

‘Misschien begrijp je haar dan beter. Of jezelf.’

Tegen beter weten in stuur ik Saskia een bericht: “Kunnen we afspreken?”

Ze antwoordt binnen vijf minuten: “Natuurlijk.”

We spreken af bij Koffie Leute op de Voorstraat. Als ik binnenkom, zit ze al te wachten – lang, slank, haar blonde haar in een nonchalante knot. Ze glimlacht vriendelijk.

‘Iris! Wat fijn dat je wilde komen.’

Ik voel me ongemakkelijk, maar steek van wal: ‘Ik weet niet goed hoe ik dit moet zeggen…’

Saskia knikt begrijpend. ‘Je wilt weten wat er tussen mij en Daan is.’

Ik knik.

Ze zucht en kijkt naar haar handen. ‘Daan en ik… dat is voorbij. Al jaren. Maar hij was er voor me toen mijn vader ziek werd. Meer niet.’

‘Waarom voelt het dan alsof jij altijd dichterbij bent dan ik?’ vraag ik zacht.

Ze kijkt me recht aan. ‘Omdat jij bang bent hem kwijt te raken.’

Haar woorden raken me als een klap in mijn gezicht.

‘Ik ben niet jouw vijand, Iris,’ zegt ze zachtjes. ‘Misschien moet je jezelf afvragen waarom je zo twijfelt aan jezelf.’

Die avond loop ik door de regen naar huis, nat tot op mijn botten maar lichter dan in weken. Thuis tref ik Daan aan op de bank, zijn hoofd in zijn handen.

‘Waar was je?’ vraagt hij bezorgd.

‘Bij Saskia.’

Hij kijkt geschrokken op.

‘We hebben gepraat,’ zeg ik simpelweg.

Er valt een stilte waarin alles gezegd lijkt te zijn.

‘Het spijt me dat ik je onzeker heb gemaakt,’ zegt Daan uiteindelijk.

‘Het spijt me dat ik je niet vertrouwde,’ antwoord ik.

We huilen samen, voor het eerst in maanden echt dichtbij elkaar.

Het leven keert langzaam terug naar normaal – of wat daarvoor doorgaat. Maar iets is voorgoed veranderd in mij. Ik weet nu dat jaloezie niet altijd over de ander gaat, maar over jezelf; over oude wonden die nog niet geheeld zijn.

Soms kijk ik nog steeds in de spiegel en vraag ik me af: wie ben ik zonder mijn angsten? En durf ik mezelf ooit helemaal te vertrouwen?