„Je doet de hele dag toch niets: Het kind slaapt en eet alleen maar” – De waarheid over moederschap die niemand wil horen

‘Marloes, wat heb je vandaag eigenlijk gedaan? Het enige wat je hoeft te doen is op Femke letten. Ze slaapt toch bijna de hele dag?’

De woorden van Jeroen snijden als een mes door mijn borst. Ik sta in de keuken, mijn handen nog nat van het afwassen, terwijl Femke in haar wiegje zachtjes kreunt. Mijn hoofd bonkt van vermoeidheid, mijn rug doet pijn van het eindeloze tillen, wiegen, voeden. Ik wil schreeuwen, maar ik slik het in. ‘Je hebt geen idee,’ fluister ik, maar Jeroen hoort het niet. Of wil het niet horen.

Elke ochtend begint hetzelfde. Femke wordt wakker rond half zes. Haar huiltje is scherp, doordringend, en ik voel direct de spanning in mijn schouders schieten. Ik sluip naar haar kamertje, bang dat Jeroen wakker wordt en weer zal zuchten. ‘Kun je haar niet wat stiller krijgen?’ heeft hij laatst gevraagd. Alsof ik een knopje kan indrukken. Ik til haar op, voel haar warme lijfje tegen me aan, en probeer haar te troosten. Soms lukt het, soms niet. Soms huil ik gewoon met haar mee.

Na het voeden probeer ik haar weer in slaap te krijgen. Soms lukt dat, maar meestal niet. Dan begint de dag: luiers verschonen, flesjes maken, haar wiegje verschonen omdat ze weer heeft gespuugd. Tussendoor probeer ik te ontbijten, maar meestal blijft mijn boterham half opgegeten op het aanrecht liggen. Mijn telefoon trilt – een appje van mijn moeder: ‘Hoe gaat het, lieverd?’ Ik wil antwoorden, maar ik weet niet wat ik moet zeggen. Dat ik me leeg voel? Dat ik het gevoel heb dat ik faal?

Jeroen werkt thuis sinds corona. Dat betekent dat hij alles ziet, alles hoort. Maar hij ziet niet wat ik doe. Hij ziet alleen een vrouw in een joggingbroek, met wallen tot op haar knieën, die volgens hem ‘de hele dag op de bank hangt’. Soms hoor ik hem bellen met zijn collega’s. ‘Marloes heeft het makkelijk, hoor. Ze hoeft alleen maar een beetje op de kleine te letten.’ Ik voel de tranen prikken, maar ik slik ze weg. Niemand begrijpt het.

De dagen vloeien in elkaar over. Ik ben de tijd kwijt. Soms weet ik niet eens welke dag het is. Mijn vriendinnen sturen foto’s van hun uitjes, hun gelakte nagels, hun cappuccino’s op het terras. ‘Kom je ook een keer mee?’ vragen ze. Maar ik durf niet. Femke huilt veel, en ik ben bang voor de blikken van anderen. Bang dat ze zullen denken dat ik het niet kan.

Jeroen komt rond zes uur uit zijn werkkamer. ‘Wat eten we?’ vraagt hij. Ik heb geen idee. Soms heb ik iets gekookt, soms niet. ‘Je hebt toch de hele dag de tijd?’ zegt hij dan. Ik voel de woede opborrelen. ‘Wil je het een keer proberen?’ snauw ik. Hij kijkt me verbaasd aan. ‘Doe niet zo overdreven, Marloes. Vroeger deden vrouwen dit gewoon, zonder te klagen.’

’s Nachts lig ik wakker. Femke slaapt eindelijk, maar ik niet. Mijn hoofd maalt. Ben ik een slechte moeder? Waarom voel ik me zo alleen? Waarom begrijpt Jeroen het niet? Ik denk aan vroeger, aan hoe verliefd we waren. Hoe we samen droomden van een gezin. Nu voelt het alsof we vreemden zijn. Soms fantaseer ik over weglopen. Gewoon verdwijnen. Maar dan hoor ik Femke zachtjes ademen, en weet ik dat ik niet kan.

Op een dag barst ik. Jeroen komt thuis van een boodschap en ziet me huilen op de bank. ‘Wat is er nou weer?’ vraagt hij. Ik schreeuw het uit: ‘Ik kan niet meer! Ik ben zo moe, Jeroen! Je ziet niet wat ik allemaal doe! Je doet alsof ik lui ben, maar ik ben kapot!’ Hij kijkt me aan, geschrokken. ‘Maar… het lijkt gewoon alsof je niks doet. Het huis is een puinhoop, je bent altijd moe…’

‘Omdat ik alles alleen doe!’ gil ik. ‘Omdat ik geen moment voor mezelf heb! Omdat ik bang ben dat ik het niet goed doe! Omdat ik me schuldig voel als ik even ga zitten! Omdat ik niet meer weet wie ik ben!’

Er valt een stilte. Jeroen zucht. ‘Ik wist niet dat je je zo voelde.’

‘Nee, dat weet je niet. Want niemand praat hierover. Iedereen doet alsof moederschap alleen maar mooi is. Maar het is zwaar, Jeroen. Het is eenzaam. En ik voel me zo schuldig dat ik dat voel.’

Hij komt naast me zitten, legt zijn hand op mijn knie. ‘Wat kan ik doen?’

Ik weet het niet. Misschien is het al te laat. Misschien zijn we elkaar kwijtgeraakt. Maar ik wil het proberen. Voor Femke. Voor ons.

De dagen daarna probeert Jeroen te helpen. Hij neemt Femke over als hij pauze heeft. Hij kookt een keer. Maar het blijft moeilijk. De verwachtingen zijn zo hoog. Van mezelf, van hem, van iedereen. Mijn moeder zegt: ‘Vroeger deden wij het ook allemaal alleen, hoor.’ Maar ik ben niet mijn moeder. En dit is niet vroeger.

Soms denk ik dat ik gek word. Dat ik de enige ben die zich zo voelt. Maar dan lees ik op een forum dat er meer vrouwen zijn zoals ik. Vrouwen die zich schamen, die zich schuldig voelen, die het gevoel hebben dat ze falen. Waarom praten we hier niet over? Waarom moeten we altijd sterk zijn?

Op een avond, als Femke eindelijk slaapt en Jeroen naast me op de bank zit, vraag ik zachtjes: ‘Denk je dat we het ooit weer leuk krijgen samen?’ Hij kijkt me aan, zijn ogen moe maar lief. ‘Ik hoop het, Marloes. Ik hoop het echt.’

En ik hoop het ook. Maar ik weet het niet. Soms voelt het alsof ik verdwaald ben in mijn eigen leven. Alsof ik een rol speel die niet bij me past. Maar ik hou van Femke. En ergens, diep vanbinnen, hoop ik dat het ooit lichter wordt.

Is het zwak om toe te geven dat je het zwaar hebt? Of is het juist dapper om eerlijk te zijn? Wanneer gaan we als samenleving eindelijk luisteren naar de moeders die fluisteren om hulp?