Zien tussen werelden: Mijn leven met geesten, engelen en demonen
‘Mam, er staat weer iemand in mijn kamer.’ De stem van mijn zoon, Daan, trilt als hij me midden in de nacht wakker maakt. Ik voel het meteen: de lucht in huis is zwaar, alsof er iets onzichtbaars tussen de muren hangt. Mijn hart bonkt in mijn keel terwijl ik mijn ogen open. ‘Wie is het deze keer, lieverd?’ vraag ik zacht, terwijl ik zijn koude hand pak. Hij kijkt me aan, zijn ogen groot en donker in het schijnsel van de straatlantaarn buiten. ‘Een oude vrouw. Ze huilt. Ze zegt dat ze haar dochter mist.’
Dit is niet de eerste keer. Sinds Daan klein is, ziet hij dingen die anderen niet zien. Net als ik. Ik weet nog goed hoe het bij mij begon, in een rijtjeshuis in Amersfoort, waar ik als kind ’s nachts stemmen hoorde fluisteren. Mijn moeder zei altijd dat ik een levendige fantasie had, maar ik wist beter. De schaduwen in de hoeken van mijn kamer waren geen verbeelding. Ze keken terug.
Toen ik ouder werd, probeerde ik het te negeren. Ik wilde normaal zijn, zoals de andere meisjes op school. Maar de verschijningen werden alleen maar sterker. Op een avond, toen ik zestien was, zag ik voor het eerst een engel. Het licht was zo fel dat het pijn deed aan mijn ogen, maar de rust die over me heen kwam was onbeschrijfelijk. Ik durfde er met niemand over te praten, bang dat ze me gek zouden verklaren.
Mijn ouders waren nuchtere mensen. Mijn vader werkte bij de gemeente, mijn moeder was verpleegkundige. Ze geloofden in wat ze konden zien en aanraken. Toen ik op een dag huilend aan tafel zat, omdat ik weer een demon had gezien in mijn droom, zei mijn vader alleen maar: ‘Je moet wat minder tv kijken, meisje.’
Jaren later, toen ik zelf moeder werd, hoopte ik dat Daan deze gave niet zou erven. Maar het lot besliste anders. Al op jonge leeftijd begon hij te praten over mensen die niet in huis waren. ‘Mama, wie is die meneer met de hoed in de gang?’ vroeg hij eens, terwijl ik de was ophing. Mijn bloed stolde. Ik wist precies over wie hij het had: mijn opa, die stierf toen ik zwanger was van Daan.
De jaren verstreken en de gebeurtenissen werden intenser. Soms werd ik ’s nachts wakker van gefluister in mijn oor, of voelde ik een koude hand op mijn schouder. Daan had nachtmerries waarin hij naar de hemel reisde en sprak met God en Jezus. ‘Ze zijn heel lief, mama,’ zei hij dan. ‘Maar soms is er ook een donkere schaduw. Die wil niet dat ik terugkom.’
Mijn man, Bas, kon er niet mee omgaan. In het begin probeerde hij begripvol te zijn, maar naarmate de incidenten zich opstapelden, werd hij steeds afstandelijker. ‘Je maakt hem gek met je verhalen,’ beet hij me op een avond toe, nadat Daan huilend uit bed was gekomen omdat hij een demon had gezien. ‘Dit is niet normaal, Marieke. Misschien moeten we hulp zoeken.’
We gingen naar een psycholoog, maar die kon niets vinden. ‘Daan is een gevoelig kind,’ zei ze. ‘Misschien is het goed om hem te leren onderscheid te maken tussen fantasie en werkelijkheid.’ Maar hoe leg je uit dat de dingen die wij zien, zo echt zijn als de tafel waaraan we zitten?
Op een avond, toen Bas laat thuiskwam van zijn werk, vond hij mij biddend op de rand van ons bed. ‘Wat doe je nou?’ vroeg hij, vermoeid. ‘Ik probeer ons te beschermen,’ fluisterde ik. ‘Er is iets in huis. Iets donkers.’ Hij zuchtte diep. ‘Je moet hiermee stoppen, Marieke. Je maakt jezelf en Daan gek.’
De afstand tussen ons groeide. Bas sliep steeds vaker op de bank. Daan en ik werden een eilandje, verbonden door onze gedeelde ervaringen. Soms voelde ik me schuldig. Had ik dit aan hem doorgegeven? Was het mijn schuld dat hij ’s nachts gillend wakker werd, of dat hij op school niet kon uitleggen waarom hij soms zo afwezig was?
Op een dag, tijdens een wandeling door het bos bij Soest, bleef Daan plotseling staan. ‘Mama, zie je haar ook?’ vroeg hij, terwijl hij naar een open plek wees. Ik kneep mijn ogen samen en daar, tussen de bomen, zag ik een vage gedaante. Een jonge vrouw, haar gezicht bleek en verdrietig. Ze keek ons aan, haar ogen vol wanhoop. ‘Ze is verdwaald,’ fluisterde Daan. ‘Ze zoekt haar kind.’
We besloten haar te helpen. Samen baden we, vroegen we haar om naar het licht te gaan. Even later was ze verdwenen. Daan glimlachte opgelucht. ‘Ze is vrij, mama.’
Toch waren er ook momenten van pure angst. Op een nacht droomde ik van een figuur gehuld in zwart, met een schedel als gezicht. De Heilige Dood, zoals ik later ontdekte in een boek over Mexicaanse folklore. Ze sprak niet, maar haar aanwezigheid was allesoverheersend. Ik werd zwetend wakker, mijn hart bonkte in mijn borst. ‘Waarom komt ze naar mij?’ vroeg ik mezelf af. ‘Wat wil ze van mij?’
Ik werd achterdochtig, begon kruisen en beschermende amuletten in huis te hangen. Bas werd woedend. ‘Dit is geen huis meer, maar een museum van bijgeloof!’ schreeuwde hij op een avond. ‘Je moet kiezen, Marieke. Of dit stopt, of ik ga weg.’
Ik kon niet stoppen. Niet voor mezelf, niet voor Daan. We hadden deze gave – of last – niet gevraagd, maar we moesten ermee leven. Toen Bas uiteindelijk vertrok, voelde ik verdriet, maar ook opluchting. Eindelijk kon ik mezelf zijn, zonder schaamte.
Daan en ik leerden omgaan met onze ervaringen. We zochten contact met anderen die hetzelfde meemaakten, via forums en bijeenkomsten in Utrecht. Voor het eerst voelde ik me niet alleen. Er waren meer mensen zoals wij, mensen die tussen werelden leefden.
Toch blijft het zwaar. Soms, als ik Daan zie slapen, vraag ik me af wat voor toekomst hij heeft. Zal hij ooit een normaal leven kunnen leiden? Zal hij iemand vinden die hem begrijpt? En ik, zal ik ooit rust vinden?
‘Mama, denk je dat het ooit stopt?’ vroeg Daan laatst, terwijl we samen naar de sterren keken. Ik wist het antwoord niet. Misschien is dit ons lot. Misschien zijn wij de brug tussen de levenden en de doden.
Soms vraag ik me af: zijn we gezegend, of vervloekt? Wat zouden jullie doen, als je elke dag tussen twee werelden moest leven?