Je bent een monster, mam! – Anna’s reis van een klein dorp in Drenthe naar Amsterdam en terug naar mezelf
‘Je bent een monster, mam!’ Mijn stem trilde, maar ik kon het niet meer tegenhouden. Mijn moeder stond in de deuropening van mijn oude slaapkamer, haar armen over elkaar, haar blik zo koud als het Drentse winterlicht dat door het raam viel. ‘Anna, doe niet zo dramatisch. Je weet niet eens wat echte problemen zijn.’
Dat was het moment. Het moment waarop ik wist dat ik moest gaan. Mijn koffer stond al half ingepakt op het bed, tussen de posters van oude bands en vergeelde foto’s van schoolkampen. Ik was negentien, maar voelde me al jaren ouder, alsof ik in Rolde langzaam was opgedroogd. Iedereen kende elkaar, iedereen wist alles van elkaar, en niemand liet je ooit echt los. Maar ik wilde los. Ik wilde leven, ademen, verdwijnen in een stad waar niemand me kende.
‘Ik ga naar Amsterdam, mam. Ik ga nu.’
Ze lachte, kort en hard. ‘Je houdt het geen week vol daar. Je komt vanzelf weer terug.’
Die woorden brandden in mijn hoofd terwijl ik in de trein zat, de weilanden voorbij zag schieten, de geur van nat gras en mest achter me liet. Mijn hart bonsde van angst en opwinding. In Amsterdam voelde alles anders: de lucht rook naar regen en uitlaatgassen, de mensen liepen snel, keken niet op of om. Ik vond een kamer in een oud huis in De Pijp, met schimmel op de muren en een huisgenoot die altijd naar techno luisterde.
De eerste weken voelde ik me vrij. Ik liep door de stad, dronk koffie in kleine cafés, schreef in mijn dagboek over alles wat ik zag. Maar de vrijheid was ook eenzaam. Niemand vroeg hoe het met me ging. Niemand wist dat ik soms huilde om mijn moeder, om de ruzies, om het gevoel dat ik nergens bij hoorde.
Toen ontmoette ik Daan. Hij was alles wat ik niet was: luid, charmant, vol verhalen. We ontmoetten elkaar op een feestje van een vriendin van mijn huisgenoot. Hij lachte naar me alsof ik de enige was in de kamer. ‘Jij bent anders,’ zei hij. ‘Jij kijkt echt.’
We werden snel verliefd. Alles aan hem was intens: de manier waarop hij me aankeek, de nachten dat we samen door de stad zwierven, de gesprekken die tot diep in de nacht doorgingen. Maar al snel kwamen de barsten. Daan kon jaloers zijn, driftig. Hij wilde altijd weten waar ik was, met wie. Als ik niet meteen reageerde op zijn appjes, stond hij opeens voor de deur.
‘Waarom reageer je niet? Ben je met iemand anders?’
‘Daan, ik was gewoon aan het werk. Je hoeft niet zo te doen.’
‘Je liegt. Je liegt altijd.’
Ik begon aan mezelf te twijfelen. Misschien was ik wel te afstandelijk, te koud. Misschien was het mijn schuld dat hij zo deed. Ik probeerde hem gerust te stellen, maar het was nooit genoeg. De ruzies werden heftiger. Soms schreeuwde hij zo hard dat de buren op de muur bonsden. Soms huilde ik tot ik in slaap viel.
Mijn vrienden zagen het gebeuren. ‘Anna, dit is niet gezond,’ zei Noor, mijn beste vriendin uit de stad. ‘Je bent jezelf niet meer. Je lacht nooit meer.’
Maar ik kon niet weg. Ik was bang dat ik zonder hem nog eenzamer zou zijn. Bang dat ik weer terug moest naar Rolde, naar mijn moeder, naar het dorp waar ik altijd het buitenbeentje was geweest.
Op een avond, na weer een ruzie, stond ik op het balkon van mijn kamer. De stad lag onder me, vol licht en geluid. Ik voelde me leeg. Ik dacht aan de schreeuw van mijn moeder, aan haar woorden: ‘Je komt vanzelf weer terug.’
Ik wilde niet terug. Maar ik wist ook niet hoe ik verder moest. Ik begon te drinken, steeds meer. Soms bleef ik dagen binnen, gordijnen dicht, telefoon uit. Daan kwam en ging, soms lief, vaker boos. Mijn studie liep vast. Ik haalde mijn tentamens niet meer, verloor mijn bijbaan. Mijn huisgenoot vroeg of het wel goed met me ging, maar ik lachte het weg.
Op een dag belde mijn moeder. ‘Anna, ik maak me zorgen. Je klinkt zo anders. Kom alsjeblieft een weekend naar huis.’
Ik wilde niet. Maar ik had geen geld meer, geen energie. Ik pakte mijn tas en nam de trein terug naar Rolde. Alles was hetzelfde, maar ik was veranderd. Mijn moeder keek me aan, haar ogen zachter dan ik me herinnerde.
‘Wat is er gebeurd, meisje?’
Ik brak. Alles kwam eruit: de ruzies, de angst, de eenzaamheid. Mijn moeder hield me vast, voor het eerst in jaren. ‘Je bent geen monster, Anna. Je bent gewoon verdwaald.’
Langzaam begon ik mezelf weer te vinden. Ik bleef een paar weken in Rolde, liep door de bossen, praatte met oude vrienden. Ik dacht na over wie ik was, wat ik wilde. Ik wist dat ik niet terug kon naar Daan, niet terug naar het oude leven in Amsterdam. Maar ik wist ook dat ik niet voor altijd in Rolde kon blijven.
Ik schreef me in voor een studie in Groningen, vond een kamer in een studentenhuis. Ik begon opnieuw, langzaam, voorzichtig. Soms voelde ik nog steeds de schreeuw in mijn hoofd, de angst dat ik nooit genoeg zou zijn. Maar ik leerde dat ik niet hoefde te vluchten, niet voor mijn moeder, niet voor mezelf.
Nu, jaren later, kijk ik terug op die tijd. Op de pijn, de eenzaamheid, de liefde die me bijna brak. Soms vraag ik me af: wie ben ik nu echt? Ben ik nog steeds dat meisje uit Rolde, of ben ik iemand anders geworden? En wat betekent het eigenlijk om jezelf te zijn, als je zo vaak bent verdwaald?
Misschien zijn we allemaal een beetje monsters, soms. Of misschien zijn we gewoon mensen, op zoek naar een plek waar we mogen bestaan. Wat denken jullie? Zijn we ooit echt thuis bij onszelf?