Sjene in de herfst: Het verhaal van oma Riet uit Utrecht
‘Mam, ik heb nu echt geen tijd om te praten. Kun je het niet gewoon even zelf regelen?’
De stem van mijn dochter Marloes galmt nog na in mijn hoofd terwijl ik de telefoon langzaam neerleg. Mijn handen trillen een beetje. Het is de derde keer deze week dat ik haar iets probeer te vragen – iets kleins, iets eenvoudigs, dacht ik. Maar blijkbaar is zelfs dat te veel. Ik kijk naar de klok. Half elf ’s ochtends. De stilte in mijn flatje aan de rand van Utrecht is oorverdovend.
Vroeger, toen ik nog werkte als verpleegkundige in het Diakonessenhuis, was er altijd reuring. Collega’s, patiënten, het constante gezoem van apparaten en stemmen. Nu hoor ik alleen het zachte tikken van de verwarming en het verre geluid van een tram. Ik ben 72, officieel met pensioen, en ik dacht dat dit de tijd zou zijn waarin ik eindelijk kon genieten. Maar genieten… hoe doe je dat als je je zo onzichtbaar voelt?
‘Oma, mag ik een koekje?’
Het stemmetje van mijn kleinzoon Daan, een paar maanden geleden nog, klinkt als een echo in mijn hoofd. Toen kwamen ze nog wel eens langs, Marloes en haar gezin. Maar het lijkt alsof ze steeds minder tijd hebben. Of misschien… misschien ben ik gewoon niet meer zo belangrijk.
Ik probeer mezelf moed in te praten. ‘Kom op, Riet, je hebt zoveel mensen geholpen, je mag nu ook om hulp vragen.’ Maar het voelt als falen. Mijn pensioen is niet ruim, en alles wordt duurder. De boodschappen, de energierekening. Soms moet ik kiezen: een dagje naar het park met de kleinkinderen, of toch maar die nieuwe bril die ik eigenlijk nodig heb?
Vorige week stond ik in de supermarkt, met een mandje vol aanbiedingen. Achter me stond een jonge vrouw, ongeduldig te tikken op haar telefoon. Ik voelde me zo traag, zo oud. Toen ik mijn pinpas pakte, zag ik dat mijn saldo te laag was. ‘Sorry, ik moet iets terugleggen,’ mompelde ik. De vrouw zuchtte hoorbaar. Ik schaamde me kapot. Vroeger was ik degene die anderen hielp, nu moet ik zelf schrapen.
’s Avonds belde ik mijn zoon, Erik. ‘Mam, ik zit midden in een vergadering. Kunnen we straks praten?’ Maar straks kwam niet. Het is alsof ik een last ben geworden, een verplichting.
Ik weet dat ze het druk hebben. Marloes werkt fulltime, Erik woont met zijn gezin in Amersfoort en heeft het druk met zijn baan bij de gemeente. Maar toch… vroeger kwamen ze elke zondag. Nu zie ik de kinderen misschien één keer per maand. En als ze komen, zitten ze op hun telefoon, of praten ze over dingen waar ik weinig van begrijp. TikTok, crypto, elektrische auto’s. Soms voel ik me een museumstuk.
De buren in het flatgebouw zijn ook veranderd. Vroeger kende ik iedereen, nu zijn het jonge stellen die haastig naar hun werk fietsen. Soms groet ik iemand in het trappenhuis, maar vaak krijg ik alleen een vluchtige glimlach terug.
‘Riet, je moet meer naar buiten!’ zegt mijn vriendin Corrie altijd. Maar Corrie is altijd druk met haar bridgeclub en haar vrijwilligerswerk. Ik probeer het wel, hoor. Ik ga naar de markt, maak een praatje met de kaasboer. Maar het is niet hetzelfde als familie om je heen.
Op een dag besluit ik het anders te doen. Ik bak appeltaart, zoals vroeger, en nodig Marloes en haar gezin uit voor koffie. ‘We komen, mam, maar we kunnen niet lang blijven,’ zegt ze aan de telefoon.
Als ze binnenkomen, ruikt het huis naar kaneel en warme appels. Daan en zijn zusje Noor rennen meteen naar de speelgoedkist. Marloes ploft neer op de bank, haar telefoon in de hand. ‘Mam, ik moet straks weer weg, Daan heeft voetbal.’
Ik probeer het gesprek op gang te brengen. ‘Hoe gaat het op je werk, Marloes?’
‘Druk, mam. Altijd druk. En alles wordt duurder. We moeten echt op de centen letten.’
Ik knik. ‘Dat herken ik. Mijn pensioen is ook niet veel. Soms maak ik me zorgen of ik het allemaal wel red.’
Marloes kijkt op van haar telefoon. ‘Mam, je hoeft je geen zorgen te maken. Je redt het altijd wel. Je bent sterk.’
Sterk. Dat woord. Het klinkt als een compliment, maar het voelt als een opdracht. Alsof ik niet mag klagen, niet mag laten zien dat ik het moeilijk heb.
Als ze weg zijn, blijf ik achter met de kruimels van de appeltaart en een leeg gevoel. Ik kijk naar de foto’s op de kast: Marloes als klein meisje, Erik op zijn eerste schooldag, mijn man Jan, die al tien jaar geleden is overleden. Toen hij er nog was, voelde ik me nooit alleen. We deden alles samen. Nu praat ik soms hardop tegen zijn foto. ‘Wat zou jij doen, Jan?’
’s Nachts lig ik wakker. Ik denk aan vroeger, aan de nachtdiensten in het ziekenhuis, aan de keren dat ik met Marloes naar de speeltuin ging, aan de vakanties in Zeeland. Waar is die tijd gebleven? Waarom voelt het alsof ik langzaam verdwijn?
Op een ochtend besluit ik naar het buurthuis te gaan. Ze hebben daar een koffieochtend voor ouderen. Ik trek mijn nette blouse aan, doe wat rouge op mijn wangen. In het buurthuis is het drukker dan ik had verwacht. Er zitten vrouwen van mijn leeftijd, mannen met wandelstokken, een paar jonge vrijwilligers. Ik schuif aan bij een tafel waar een vrouw zit te breien.
‘Hoi, ik ben Riet,’ zeg ik.
‘Anja,’ zegt ze, en ze glimlacht. ‘Kom je hier vaker?’
‘Nee, het is mijn eerste keer. Ik dacht… misschien is het tijd om wat nieuwe mensen te leren kennen.’
Anja knikt begrijpend. ‘Het is soms lastig, hè? Mijn kinderen wonen in Groningen. Ik zie ze bijna nooit.’
We praten over van alles: over vroeger, over de stad die zo veranderd is, over de kleine dingen die het leven mooi maken. Voor het eerst in lange tijd voel ik me gehoord.
Na de koffieochtend loop ik naar huis met een warm gevoel. Misschien is dit het begin van iets nieuws. Maar als ik thuiskom, ligt er een brief van de gemeente op de mat. Mijn huur gaat weer omhoog. Ik zucht diep. Het lijkt alsof er altijd weer iets is.
’s Avonds bel ik Marloes. ‘Mam, ik ben echt moe. Kunnen we morgen praten?’
Ik leg de telefoon neer en staar uit het raam. De straat is donker, de lantaarns werpen lange schaduwen op het asfalt. Ik voel me klein, verloren in een wereld die steeds sneller lijkt te draaien.
Toch geef ik niet op. De volgende dag ga ik weer naar het buurthuis. Ik meld me aan voor een cursus schilderen. Ik koop een goedkoop setje verf bij de Action en probeer thuis een landschap te maken. Het lukt niet echt, maar het maakt niet uit. Het gaat om het proberen, om het bezig zijn.
Langzaam begin ik mijn dagen anders in te delen. Ik maak een wandeling door het park, ik bel Corrie, ik schrijf me in voor een kookclub. Soms voel ik me nog steeds eenzaam, vooral als ik foto’s zie van gezinnen die samen uit eten gaan, of als ik hoor dat vrienden op vakantie gaan met hun kinderen. Maar ik probeer te focussen op wat ik wél heb.
Op een dag, als ik in het park zit, komt Daan onverwacht naast me zitten. ‘Oma, mag ik bij jou logeren?’
Mijn hart maakt een sprongetje. ‘Natuurlijk, lieverd. Wanneer wil je komen?’
‘Morgen! Mama zegt dat ze het druk heeft, maar ik wil bij jou zijn.’
Ik glimlach. Misschien ben ik niet altijd zichtbaar, misschien voel ik me soms vergeten. Maar voor Daan ben ik nog steeds oma. En misschien is dat genoeg.
Soms vraag ik me af: hoeveel andere oma’s zitten er nu thuis, met dezelfde zorgen, dezelfde verlangens? Waarom praten we daar zo weinig over? Wat betekent het eigenlijk om oud te zijn in een wereld die altijd vooruit wil? Wie luistert er nog naar ons verhaal?