De vrouw die niet bestond: het onzichtbare leven van Wanda

‘Wanda, ben je daar nou alweer?’ De stem van mijn dochter, Marieke, klonk geërgerd door de telefoon. ‘Ja, ik wilde alleen even horen hoe het met je gaat,’ antwoordde ik zacht, terwijl ik naar de vergeelde muur van mijn kleine woonkamer staarde. ‘Mam, ik heb het druk. Ik bel je later wel terug, goed?’ Zonder mijn antwoord af te wachten, hoorde ik de klik. Stilte. Alleen het zachte gezoem van de koelkast hield me gezelschap.

Ik ben Wanda, negenenvijftig jaar oud, en ik besta niet. Althans, zo voelt het. In de bus kijkt niemand me aan. In de apotheek schuiven mensen langs me heen, alsof ik lucht ben. Zelfs in de trappenhal, waar ik al meer dan twintig jaar woon, groet niemand me. Mijn buren, de familie De Vries, lopen altijd haastig langs. Soms hoor ik ze fluisteren: ‘Daar heb je haar weer, die stille vrouw van boven.’

Vroeger was het anders. Toen mijn man, Henk, nog leefde, was er altijd reuring in huis. Henk was een man van het volk, altijd een praatje, altijd een grap. Maar sinds zijn dood, nu alweer zeven jaar geleden, is het stil. De stilte is als een dikke deken die me verstikt. Mijn dochter Marieke woont in Utrecht, druk met haar carrière en haar gezin. Mijn zoon Bas? Die spreek ik nauwelijks nog. Hij heeft me nooit vergeven dat ik niet op zijn bruiloft was, omdat ik toen in het ziekenhuis lag met een longontsteking. Hij zei: ‘Je had je best kunnen doen, mam. Je bent altijd ziek als het niet uitkomt.’

Soms vraag ik me af of ik echt besta. Mijn spiegelbeeld lijkt steeds vager te worden. Mijn haar is dunner, mijn huid valer. Ik loop door de stad, langs de grachten van Amsterdam, en niemand kijkt op of om. Zelfs de kassière bij de Albert Heijn zegt nauwelijks gedag. ‘Wilt u zegels?’ vraagt ze mechanisch. Ik knik, maar ze kijkt al naar de volgende klant.

Op een regenachtige dinsdagavond, terwijl de wind om het flatgebouw giert, hoor ik gestommel op de gang. Ik open voorzichtig de deur. Het is meneer De Vries, met zijn boodschappentas. ‘Goedenavond,’ probeer ik. Hij knikt kort, zonder me aan te kijken. Ik voel een steek van verdriet. Waarom ziet niemand mij?

Later die avond bel ik Marieke opnieuw. ‘Mam, ik zei toch dat ik het druk heb!’ Haar stem klinkt nu geïrriteerd. ‘Ik voel me gewoon een beetje alleen,’ fluister ik. ‘Mam, je moet echt eens wat gaan doen. Ga vrijwilligerswerk doen of zo. Ik kan niet altijd voor je klaarstaan.’

Na het gesprek staar ik naar de foto’s op de kast. Henk, breed lachend, met zijn arm om mij heen. Marieke als klein meisje, met haar eerste fiets. Bas, nog een jongetje, met zijn voetbal. Waar is het allemaal misgegaan? Waarom voel ik me zo losgeraakt van alles en iedereen?

De volgende ochtend besluit ik naar het buurthuis te gaan. Misschien kan ik daar vrijwilligerswerk doen, zoals Marieke zei. In het buurthuis is het druk. Kinderen rennen rond, ouderen zitten te kaarten. Ik schuifel naar de balie. ‘Goedemorgen, ik ben Wanda. Ik vroeg me af of ik misschien iets kan doen hier?’ De vrouw achter de balie kijkt me vluchtig aan. ‘We hebben genoeg vrijwilligers, mevrouw. Maar u kunt altijd een kopje koffie komen drinken.’

Ik ga aan een tafeltje zitten, maar niemand komt erbij. Na een half uur loop ik weer naar huis. Op straat regent het. Mijn jas is te dun, de wind snijdt door mijn botten. Thuis trek ik mijn natte schoenen uit en zet een kop thee. De stilte is oorverdovend.

’s Avonds hoor ik stemmen op de gang. Gelach, het geluid van een sleutel in het slot. De familie De Vries heeft bezoek. Ik hoor het gekletter van borden, het gelach van kinderen. Mijn eigen huis is koud en leeg. Ik pak mijn dagboek en schrijf: ‘Vandaag weer niet gezien. Vandaag weer niet gehoord.’

Op een dag, als ik de trap afloop, struikel ik. Mijn enkel zwikt om, ik val op de koude stenen. Niemand hoort me. Ik lig een tijdje op de grond, de pijn bonkt in mijn enkel. Uiteindelijk krabbel ik overeind en strompel naar boven. Niemand heeft iets gemerkt.

’s Nachts kan ik niet slapen. Ik denk aan vroeger, aan de zomers op de camping in Zeeland. Henk die vis bakte op het vuur, Marieke en Bas die in het zand speelden. Toen was ik iemand. Toen hoorde ik erbij. Nu ben ik een schim.

Op een ochtend word ik wakker van de sirenes. In het flatgebouw is brand uitgebroken, een paar verdiepingen lager. Ik trek snel mijn jas aan en ga naar buiten. Op de stoep staan de buren, in pyjama’s en jassen. Iedereen praat door elkaar. Ik sta aan de rand van de groep. Niemand kijkt naar mij. Niemand vraagt of ik oké ben.

Na de brand komt er een bijeenkomst in het buurthuis. De bewoners praten over veiligheid, over rookmelders en vluchtwegen. Ik steek mijn hand op. ‘Misschien kunnen we elkaar wat beter leren kennen, zodat we weten wie er allemaal in het gebouw wonen?’ Er valt een korte stilte. Dan zegt meneer De Vries: ‘Goed idee, Wanda.’ Voor het eerst noemt iemand mijn naam. Het voelt als een klein lichtpuntje.

De weken daarna probeer ik vaker contact te maken. Ik groet de buren, maak een praatje met de kassière. Soms lukt het, soms niet. Marieke belt af en toe, maar het blijft oppervlakkig. Bas blijft stil. Ik schrijf hem een brief, waarin ik uitleg waarom ik niet op zijn bruiloft was. Geen antwoord.

Op een dag, als ik boodschappen doe, komt een meisje naar me toe. ‘Bent u Wanda? Mijn oma woont bij u in het gebouw. Ze zegt dat u altijd zo vriendelijk groet.’ Ik glimlach. ‘Dat klopt, ja. Hoe heet jouw oma?’ Het meisje lacht. ‘Mevrouw Jansen, van de vierde verdieping.’

Langzaam, heel langzaam, begin ik weer een beetje te bestaan. Niet voor iedereen, maar voor sommigen. En misschien is dat genoeg. Soms, als ik ’s avonds in mijn stoel zit, vraag ik me af: hoeveel mensen voelen zich zoals ik? Hoeveel mensen zijn er die niet gezien worden, die langzaam verdwijnen?

Misschien moeten we allemaal wat vaker om ons heen kijken. Misschien zijn er meer Wanda’s dan we denken. Wat zou jij doen als je merkt dat iemand in jouw omgeving onzichtbaar is?