De Bittere Blik van Vervlogen Vriendschap: Een Herinnering in de Lijn 32
– Marleen? – haar stem klonk breekbaar, nauwelijks hoorbaar boven het gebrom van de motor en de regen die tegen de ruiten sloeg. Voor een paar seconden zweefde de tijd, terwijl ons verleden ruw in het nu werd getrokken. Mijn hand trilde om de koude stang vast te houden. Ik voelde mijn keel dik worden en mijn wangen gloeien. De rest van de bus leek te verdwijnen; alleen haar gezicht bleef over, ouder, vermoeider, maar onmiskenbaar dezelfde Wietske met wie ik ooit droomde van grote dingen, nachtenlang pratend over verre reizen en een leven waarin alles mogelijk leek.
Ik knikte haast onmerkbaar en wist niet wat ik moest zeggen. Mijn blik week snel weg, naar de natte jassen om ons heen, de aankondiging van de volgende halte. Maar ik hoorde haar adem naast me, onrustig, net als de mijne. “Sorry, het was niet mijn bedoeling…” stamelde ik, doelend op het bijna-ongeluk, maar er klonken zoveel meer verontschuldigingen door – voor dat ene telefoongesprek jaren geleden, voor ontelbare verwijten en verloren tijd.
Buiten trok Haarlem Schalkwijk langzaam aan ons voorbij; platte daken, dichtgetimmerde ramen, graffiti die nieuw leek naast vergane posters van festivals die nooit doorgingen. “Het maakt niet uit,” zei Wietske, haar stem weer vreemd stil. Maar de spierspanning in haar kaak vertelde iets anders. Elke vezel in mijn lijf wilde haar schudden, iets zeggen wat alles zou terugdraaien, zoals vroeger. Maar de woorden bestonden niet.
“Ga je naar je moeder?” Vroeg ze uiteindelijk, haar blik nog steeds strak op de buitenwereld gericht. Het was een simpele vraag, maar zijn lading voelde als een dolk. Ik knikte weer, niet in staat om haar aan te kijken. “Ze is weer uit het ziekenhuis,” zei ik, mijn stem vlak. “Ze stuurt brieven nu. Echt, met de hand. Alsof dat alles goedmaakt.”
Een wrange glimlach speelde om Wietske’s lippen. “Jouw moeder was altijd al goed in dingen ‘goedmaken’, toch?” Haar sarcasme prikte venijnig, maar raakte iets ouds in mij. “Weet je wat het is?” zei ik, terwijl ik mijn adem terugzocht. “Je probeert te begrijpen waarom mensen dingen doen. Maar op een dag ben je gewoon moe van het begrijpen. Dan wil je alleen maar rust.”
Ze knikte, de lijnen rond haar mond dieper. “Ja, dat ken ik. Mijn vader heeft vorige maand een kaart gestuurd. Voor het eerst in tien jaar. Het ging over zijn nieuwe hond. Niet over mij. Niet over mama of mam’s begrafenis. Gewoon over een beest.”
Ik herinnerde me nog als de dag van gisteren hoe Wietske’s moeder zo plotseling ziek was geworden. Wij waren zeventien, op het randje van volwassenheid en tegelijk zo kinderlijk naïef. We zouden samen naar Utrecht, studentenkamers zoeken, misschien zelfs samenwonen. In plaats daarvan bleef Wietske thuis, nam haar moeders zorg over, werd ouder dan haar jaren, terwijl ik verder trok, naar Amsterdam. “Het spijt me dat ik toen niet meer voor je was,” fluisterde ik. Ze keek me aan, ogen donker, lang onderzocht ze mijn gezicht op sporen van spijt, misschien hoopte ze dat het anders was geweest.
“Het was niet alleen jouw schuld. Jij kon tenminste door. Ik bleef vastzitten. Je was ook niet de enige die wegliep.” De bitterheid in haar woorden was nauwelijks gecamoufleerd. Maar ik hoorde ook iets anders – verdriet, misschien zelfs een restje verlangen naar de tijd voor het misging. We zwegen, de bus schokte over een drempel, iemand schoof doelloos op zijn telefoon, verderop blafte een peuter in een plastic regenpak naar zijn moeder.
“En jij, waar ga jij naartoe?” vroeg ik na een tijdje. Haar snuifje van ongeloof verraste me. “Serieus? Denk je echt dat mijn leven zó veranderd is dat ik op een donderdagochtend voor mijn plezier in lijn 32 zit? Ik ga naar het gemeentehuis. Je weet wel, de sociale dienst. Ze dreigen met een huisbezoek omdat ik drie weken te laat was met een formulier. Drie weken! Alsof het niks is, hè?”
Ik voelde me schuldig; ik besefte dat ik haar armoede, haar zorgen altijd uit de weg was gegaan. Ik wilde het mooie houden – de herinnering aan ons, zonder de rafelranden. “Heb je… iemand?” Mijn stem klonk kinderachtig voorzichtig. Ze schudde haar hoofd.
“Maarten is weg. Inmiddels alweer een jaar. En Mees… hij woont bij mijn zus in Amersfoort. Ik kan hem hier niet bieden wat hij nodig heeft. Dus nu ben ik alleen. Net als jij, denk ik.” Dat laatste klonk als een aanklacht. Maar misschien was dat ook gewoon de waarheid. Na mijn duffe kantoorbaan bleef ook ik in mijn stille flat achter; geen kinderen, geen partner – alleen een kat die mij ’s ochtends wakker miauwde en mijn eenzaamheid camoufleerde.
We reden de stad binnen, het idee dat Haarlem ooit onze toekomst was, voelde onwezenlijk. “Weet je nog die avond in de duinen?” vroeg ik plotseling. “We kregen ruzie over dat kaartspel. Maar daarna hebben we uren zitten praten, totdat de zon opkwam.”
Wietske lachte kort, haar bitterheid maakte ruimte voor iets zachters. “En jij probeerde een haas te vangen omdat je dacht dat die tam was! We zijn het strand over gerend als kinderen.” Ze keek me aan, haar ogen nat. “We waren gelukkig, toch? Ondanks alles?”
Ik knikte. “Sterker nog, misschien waren we zelfs meer dan gelukkig. We waren alles wat we ooit wilden zijn.”
We zwegen weer, de zwaartependel terug. “Zou het kunnen,” begon ik, mijn stem schor, “om dit weer een beetje terug te krijgen? Niet alles, maar iets van die vriendschap? Of is het te laat?”
Wietske keek me lang aan. “Weet je,” zei ze, “het leven is niet mild geweest. Maar vandaag… vandaag voelt het even alsof niet alles kapot is. Misschien moeten we het gewoon proberen.”
De bushalte kwam in zicht. We stonden samen op, onhandig, alsof we bang waren om de hechting te verliezen die, zo bleek nu, nog ergens bestond. Bij het uitstappen voelde de lucht fris op mijn huid. “Misschien is dit de start van iets nieuws,” zei ik zacht.
Ik weet niet waarom ik altijd wegloop als het moeilijk wordt. Misschien ben ik banger voor het verleden dan voor de toekomst. Maar zouden we ooit weer kunnen worden wie we waren, als we daar samen echt onze schouders onder zetten?
Wat denken jullie – kun je een oude vriendschap nieuw leven inblazen, zelfs als ze zo bitter is geworden? Zou jij het durven?