Toen ik Mark na 35 jaar weer zag, viel alles in duigen

‘Anka?’ hoorde ik een stem zeggen die me alle adem uit de longen sloeg. Ik stond daar, in het overvolle winkelcentrum in Amersfoort, een plastic tas half uit mijn hand glijdend. Ik durfde niet naar opzij te kijken, hopend dat het toeval was, een vergissing. Maar toen ik me omdraaide, werd alles stil om me heen. Mark. Zijn ogen waren nog steeds die rare mengeling van grijs en groen – iets wat ik vroeger altijd het mooiste vond.

‘Mark?’ fluisterde ik, bijna onhoorbaar. Zelfs na al die jaren. Waarom voelde ik me ineens weer achttien? Maar ik bén geen achttien meer. Ik ben 53, gescheiden, en mijn zoon studeert rechten in Groningen. Ik heb een leven opgebouwd waarvan ik dacht dat ik het tenminste begreep, tot vijf seconden geleden.

‘Kan niet waar zijn…’ zei hij, zijn stem nu zekerder, bijna triomfantelijk. Ik lachte ongemakkelijk, wendde mijn blik af.

‘Wat doe jíj hier?’ vroeg ik, omdat ik iets moest zeggen. Hij haalde zijn schouders op. ‘Mijn moeder is gevallen, ik moest boodschappen doen voor haar. En jij? Woon je nog steeds…’

‘Hier, ja. Sinds – ’

‘Sinds dat gedoe met je zus? Jeetje, dat is ook lang geleden.’

De ergernis sloop in zijn stem. Alsof de tijd niet had stilgestaan, maar dat alle onderliggende dingen uit ons verleden zo weer naar boven konden komen. Ik voelde het branden achter mijn ogen.

‘Tjonge. Wat zie je er… goed uit, Anka,’ zei hij, en ik hoorde twijfel tussen de complimenten door. Ik lachte nu hardop, te hard, en mensen keken om. Alsof niemand meer iets kon doen; ik was terug in een toneelstuk waarvan ik hoopte dat het na één acte zou eindigen.

‘En jij? Je bent geen dag ouder geworden. Of… misschien iets grijzer,’ zei ik, terwijl ik naar zijn slapen wees. We gaven elkaar een halve knuffel, en hij rook nog steeds een beetje naar aftershave en kaugom, zoals vroeger op de camping in Zeeland.

‘Gek zeg. Ik dacht echt nooit meer…’

‘Ach, de wereld is klein hè? Vooral Amersfoort…’

We begonnen samen te lopen, hij met een netje sinaasappels en ik met mijn te zware tas. Serieus, wie koopt er op een dinsdagmiddag zo veel boodschappen?

‘Denk je nog wel eens aan toen?’ vroeg hij, onverwachts. Ik bleef stil. Wat moest ik zeggen? Dat er geen week voorbijging zonder dat ik even aan hem dacht, aan die zomer, aan wat we hadden?

‘Nee, hoor,’ loog ik. ‘Weet je, het lijkt al zo’n ander leven.’

Maar natuurlijk dacht ik aan hem. Aan die avonden dat we stiekem in de tuin sigaretjes rookten, aan hoe hij “Anka, kom nou,” in mijn oor fluisterde. Aan hoe alles veranderde toen mijn zus Laura met hem begon te flirten, hem zelfs probeerde te zoenen op dat fameuze dorpsfeest. Iedereen zei altijd dat zussen alles delen, maar sommige dingen kun je níet delen. Zeker geen liefde – of was het gewoon jong geluk?

‘Laura, ja,’ zei Mark zacht. ‘Die heeft veel kapotgemaakt tussen ons.’ Hij hield stil, zijn blik ernstig. ‘Weet je nog hoe boos je was?’

Boos? Ik was woedend – maandenlang. Ik weigerde nog met haar aan één tafel te zitten. Onze ouders wisten niet wat ze met ons aan moesten. ‘Jullie zijn geen meisjes meer, houd je alsjeblieft volwassen,’ riep mama voortdurend, terwijl ze ondertussen haar verdriet probeerde te maskeren.

Laura vluchtte uiteindelijk naar Maastricht. Ze appte me soms, vooral met verjaardagen. Onze band is nooit meer hetzelfde geworden – net als de mijne met Mark. Maar nu, met de dagelijkse sleur, dacht ik dat ik het verwerkt had. Tot nu.

We stonden even stil bij het bankje naast de boekwinkel.

‘Zullen we even zitten, Anka?’ vroeg Mark, al was het niet echt een vraag.

We zakten naast elkaar neer. ‘Heb je nog contact met haar?’ vroeg hij.

‘Af en toe. Ze woont nu met een chirurg, in een huis dat je niet zou geloven. Maar nee, we zijn niet meer… We bellen op verjaardagen. Dat is het eigenlijk.’

Mark knikte alleen maar. ‘Toch jammer. Ze was bijzonder, op haar manier. Maar jij…’

Ik onderbrak hem – ‘Laten we het niet over vroeger hebben. Wil je koffie?’

We liepen naar het café. Zijn hand raakte kort mijn arm. Ik voelde me plotseling belachelijk zenuwachtig. ‘Sorry,’ zei hij zacht, ‘het is gewoon… ik dacht altijd dat jij en ik…’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Wat dacht je dan, Mark? Jij verdween. Jij koos niet voor mij, je koos nooit.’

Zijn ogen werden zacht. ‘Misschien niet. Maar ik had geen idee wat ik deed. We waren kinderen, Anka. En ik had zoveel spijt na die avond met Laura, weet je dat?’

‘Nee,’ antwoordde ik scherp. ‘Dat wist ik niet. Dat wilde je nooit zeggen. Je vertrok gewoon. Ik moest het allemaal zelf uitzoeken, met een gebroken hart en een stom schuldgevoel tegenover mijn zus. Alsof ik degene was die fout zat…’

We bestelden koffie. Ik probeerde mijn handen stil te houden rond het kopje. Na al die jaren kon één blik van hem nog steeds alles overhoop halen.

Mark zat te friemelen aan zijn servet. ‘En later? Je bent getrouwd. Hoe was dat?’

Ik lachte schamper. ‘Dat was één grote verwachting die niet werd waargemaakt. Rob en ik… we waren partners, geen geliefden. Het leek een goed idee: trouwen, huisje, boompje, zoon. Maar er was altijd iets wat ontbrak. Misschien wel omdat ik mezelf nooit helemaal kon geven.’

Hij keek me doordringend aan. ‘Denk je dat ik dat ben?’

‘Niet per se. Maar je was in elk geval het begin van het gemis, denk ik. Je eerste liefde laat altijd sporen na.’

Hij grinnikte. ‘Misschien zijn we gewoon achterlijk nostalgisch.’

We dronken zwijgend, terwijl buiten de regen tegen de ruiten sloeg. Ik voelde me ineens zó moe. Dertig jaar leven, een scheiding, een mislukte zussenrelatie, en alles kwam samen op deze dinsdagmiddag in de HEMA-koffiehoek.

Toen ik opstond, keek hij me aan: ‘Mag ik je bellen, Anka?’

Twijfel. Mijn hoofd zei nee, absoluut niet – ik weet hoe die oude pijn voelt, het is verraderlijk verdoofd, maar altijd scherp dichtbij. Mijn hart zei ja, want wie is er nu echt over zijn eerste liefde heen?

‘Weet je, Mark… misschien moeten sommige verhalen niet herschreven worden. Misschien juist wél. Ik weet het niet.’

Hij glimlachte weemoedig, pakte zijn telefoon maar toetste niets in. ‘Wat wil je zelf, Anka?’

Ik dacht aan mijn huis, aan de eenzaamheid, en aan hoe het voelde om weer even iemand te zijn die ertoe doet.‘Ik weet het niet, Mark. Maar nu ben ik tenminste wakker.’

We liepen samen het winkelcentrum uit. Boodschappen vergeten, verleden weer levend.

Is het ooit te laat om opnieuw te beginnen met iemand die je ooit alles betekende? Of houden we onszelf gewoon voor de gek?