Iedereen noemde me gek toen ik negen babymeisjes in huis nam — maar 46 jaar later bewees onze reünie dat liefde sterker was dan alles
Ik stond te trillen in de smalle gang van mijn huis in Zaandam, met een baby op mijn linkerarm en een andere in een oude Maxi-Cosi aan mijn voeten, terwijl er drie tegelijk huilden in de woonkamer. Mijn overhemd zat onder de melk, ik had al twee nachten niet geslapen en mijn broer Willem schreeuwde vanaf de voordeur: „Henk, dit is niet dapper meer. Dit is krankzinnig.” Ik keek hem aan met ogen die brandden van vermoeidheid. „Nee,” zei ik, „krankzinnig was geweest om ze achter te laten.”
Ik was 31 toen mijn leven in één week volledig kantelde. Ik werkte als magazijnmedewerker in Amsterdam-West, gewoon een man met een huurhuis, een tweedehands Ford Taunus en een leven dat klein maar overzichtelijk was. Geen vrouw, geen kinderen. Mijn verloofde Saskia was twee jaar daarvoor bij me weggegaan omdat ik, volgens haar, „altijd iedereen wilde redden behalve mezelf”. Misschien had ze gelijk. Maar ik wist niet dat die eigenschap me naar negen dochters zou leiden.
Via mijn nicht Marjan, die in de kraamzorg werkte, hoorde ik van een noodsituatie. In verschillende ziekenhuizen en opvangplekken zaten pasgeboren meisjes waarvoor niet snel een stabiele plek was. De redenen waren allemaal anders: een moeder die was overleden, ouders die in zware problemen zaten, een afstandsverklaring, een familiedrama waar niemand hardop over sprak. Het systeem liep vast. „Tijdelijk,” zei Marjan aan mijn keukentafel. „Maar tijdelijk kan maanden worden.”
Ik lachte nog. „En wat moet ik doen, Marjan, een crèche beginnen?”
Ze keek me recht aan. „Nee, Henk. Een thuis bieden.”
Die nacht sliep ik niet. Ik bleef maar denken aan lege wiegjes, steriele kamers, kinderen zonder vaste armen. Een week later tekende ik papieren waarvan zelfs de ambtenaar twee keer vroeg of ik het wel begreep. „Meneer de Vries,” zei hij, terwijl hij zijn bril afzette, „u neemt verantwoordelijkheid voor negen baby’s. Negen.”
„Dat weet ik,” antwoordde ik.
„Waarom?”
Ik slikte. „Omdat iemand het moet doen.”
De eerste jaren waren oorlog. Geen heldhaftige filmversie, maar echte oorlog: luiers koken omdat ik geld wilde besparen, aardappelen en wortels stampen tot prak, nachten met koorts, oorpijn en eindeloos wiegen. Ik gaf ze Nederlandse namen die zacht in mijn mond lagen: Anne, Lotte, Femke, Noor, Esmee, Lieke, Sanne, Julia en Maaike. Ik hing een schema op de koelkast, maar na twee dagen zat er al pap op en klopte niets meer. De buren roddelden. Op verjaardagen vielen stiltes als ik binnenkwam.
Mijn moeder zei op een zondag, terwijl ze de koffie inschonk: „Je gooit je leven weg, jongen.”
„Nee mam,” zei ik. „Ik geef het juist ergens aan.”
Ze schudde haar hoofd. „Een man alleen met negen meisjes. Wat moeten mensen wel niet denken?”
Ik werd boos. „Laat mensen denken wat ze willen. Deze kinderen hebben eten nodig, geen meningen.”
Geld was altijd te weinig. Ik werkte overdag in ploegendienst en ’s avonds repareerde ik fietsen in de schuur voor wat extra’s. Soms wist ik niet hoe ik nieuwe schoenen moest betalen als er wéér iemand uit de oude was gegroeid. We gingen nooit op dure vakantie; hooguit met de trein naar Zandvoort, broodjes mee in een koelbox en zand overal in de handdoeken. Maar we hadden rituelen. Pannenkoeken op vrijdag. Sinterklaas met zelfgemaakte surprises. Fietsen leren op het pleintje achter de flats. Als er eentje viel, renden er meteen drie zussen naartoe.
Toch kwam de echte pijn pas toen ze ouder werden. Puberteit maakt van liefde geen sprookje. Anne beet me eens toe: „Jij bent mijn echte vader niet!” Ze was zestien en sloeg de deur zo hard dicht dat het glas trilde. Ik bleef in de keuken staan met haar onbetaalde schoolreisbriefje in mijn hand. Een uur later vond ik Noor huilend op de trap omdat ze gepest werd om ons „rare gezin”. Lieke wilde haar achternaam veranderen. Maaike vroeg waarom zij nooit op babyfoto’s bij haar biologische moeder stond.
Ik had geen mooie antwoorden. Alleen eerlijke. „Ik weet niet alles,” zei ik vaak. „Maar ik ben gebleven.”
Sommigen zochten later contact met hun verleden, en dat deed pijn, al gunde ik het ze. Femke vertrok naar Groningen voor studie en belde maanden niet. Julia trouwde jong en nodigde me pas laat uit, alsof ze twijfelde of ik er wel hoorde. Sanne kreeg ruzie met me over geld toen ik haar niet nog eens kon helpen met een borg. „Je had beter nee kunnen zeggen in het begin,” schreeuwde ze. „Dan hadden we tenminste geweten waar we aan toe waren.”
Die zin brak iets in me. Die avond zat ik alleen aan tafel, tussen negen verschillende mokken die ik nooit had weggegooid, en dacht ik voor het eerst: misschien hadden ze allemaal gelijk gehad. Misschien was ik niet moedig geweest, maar alleen koppig.
De jaren gleden voorbij. Mijn haar werd wit, mijn rug krommer. Het huis werd stiller. Waar vroeger sokken op de trap lagen en stemmen door elkaar klonken, hoorde ik alleen nog de cv-ketel aanslaan. Met Kerst kwamen er soms drie, soms vijf. Altijd met haast, met agenda’s, met hun eigen levens. Ik zei dat ik het begreep. Maar als de deur dichtviel, bleef de stilte als vocht in de muren hangen.
Toen werd ik 77. Ik verwachtte weinig: misschien een bos bloemen van de buren, een kaart van mijn zus. Maar op die novembermiddag ging de bel. Toen nog eens. En nog eens. Ik deed open en dacht eerst dat ik droomde. Op de stoep stonden ze allemaal. Negen vrouwen. Negen gezichten waarin ik flarden van de baby’s terugzag die ooit tegen mijn borst hadden geslapen. Achter hen stonden partners, kinderen, kleinkinderen. De straat in Zaandam stond vol fietsen en auto’s.
Anne stapte als eerste naar voren, haar stem brak. „Pap,” zei ze. Gewoon dat ene woord. Pap. Toen gaf ze me een map. Daarin zaten brieven, eentje van elke dochter. Lotte veegde haar ogen af en zei: „We dachten vroeger dat jij ons van dingen had beroofd. Van een ‘normaal’ gezin. Maar nu we ouder zijn, weten we pas wat je ons gaf.”
Femke pakte mijn hand. „Veiligheid.”
Noor fluisterde: „Iemand die bleef.”
Sanne, met wie ik jaren stroef was geweest, legde haar hoofd tegen mijn schouder. „Het spijt me,” zei ze. „Ik was boos op de verkeerde.”
Binnen stond de woonkamer ineens weer vol leven. Er werd soep opgewarmd, kinderen renden langs de oude kast, iemand zette koffie, iemand anders hing slingers op die ik zelf niet had gekocht. Maaike tikte met een lepel tegen haar glas. „We hebben uitgerekend,” zei ze lachend door haar tranen heen, „dat jij inmiddels vader, opa en bijna overgrootvader bent van een halve voetbalclub.” Iedereen lachte. Ik niet. Ik kon alleen huilen.
Later die avond gaven ze me een ingelijste foto: wij alle tien, in mijn kleine achtertuin, onder de grijze Hollandse lucht. Op de lijst stond: Hij koos ons, elke dag opnieuw.
Ik heb vaak getwijfeld of liefde genoeg is als je geen geld, geen rust en soms niet eens waardering hebt. Maar daar, tussen mijn dochters en hun kinderen, wist ik het eindelijk zeker.
Als ik terugkijk, denk ik: mensen noemen je gek zolang ze de oogst van je liefde nog niet hebben gezien.
Zeg eens eerlijk… had jij het gedurfd? En geloof jij dat liefde alleen soms al een heel leven kan redden?