We kenden elkaar veertig jaar, maar sinds zijn beginnende dementie voelt onze vriendschap ineens als een verplichting die ik bijna niet meer aankan
‘Dus jullie gaan gewoon wél, terwijl jullie weten hoe het hier nu is?’ zei Marijke door de telefoon. Ik stond met mijn jas nog aan in de gang, de autosleutels in mijn hand, en ik voelde meteen die bekende spanning in mijn nek. Naast me keek mijn man Kees me aan en schudde al langzaam zijn hoofd, alsof hij het gesprek kon voorspellen. ‘Marijk, zo moet je het niet brengen,’ zei ik. Maar nog voor ik mijn zin af kon maken, hoorde ik haar adem hoog zitten. ‘Nee hoor, natuurlijk niet. Veertig jaar vrienden, en dan dit.’
Ik heb daarna eerst gehuild van boosheid en schaamte tegelijk. Niet eens alleen om wat ze zei, maar omdat een deel van mij snapte waar het vandaan kwam.
Wij kennen Marijke en Joop sinds begin jaren tachtig. Eerst via de camping in Zeeland, later bleven we elkaar zien. Samen fietsen, samen kaarten, etentjes, een weekendje Drenthe, dat soort dingen. Nooit zwaar, nooit ingewikkeld. Gewoon mensen bij wie je in de keuken kon binnenlopen en zeggen: ‘Zet koffie, we zijn er.’ Juist daarom deed het zo’n pijn dat alles de laatste twee jaar zo veranderd is.
Bij Joop begon het klein. Verhalen twee keer vertellen. Zijn portemonnee in de koelkast. Een afslag missen naar het tuincentrum waar we al twintig jaar kwamen. In het begin maakten we er nog wat luchtige grapjes over, al voelde dat achteraf ook lullig. Tot Marijke op een avond heel zacht zei: ‘De huisarts denkt aan beginnende dementie.’ Joop keek toen naar zijn handen en zei: ‘Nou ja, ik ben ook geen jonge god meer.’ We lachten even, maar niemand echt.
Vanaf dat moment schoof er iets in onze vriendschap. Logisch ook. Marijke trok steeds meer aan ons. Of Kees met Joop mee kon naar de neuroloog, omdat Joop bij hem rustiger was. Of ik op dinsdagmiddag even langs wilde komen, ‘want dan kan ik tenminste boodschappen doen zonder dat ik hem alleen laat’. Eerst deden we dat vanzelfsprekend. Je laat vrienden niet vallen.
Maar vanzelfsprekend werd langzaam structureel. Een appje in de ochtend: ‘Kun jij vandaag?’ Een belletje tijdens het eten: ‘Hij wil de deur uit, kunnen jullie even komen?’ Als wij zeiden dat we al iets hadden, viel er een stilte en daarna: ‘Laat maar, dan regel ik het wel weer alleen.’ Daar zat altijd iets in waardoor ik me meteen schuldig voelde.
Kees zei op een avond aan de keukentafel: ‘We zijn vrienden, geen thuiszorg.’ Ik reageerde fel. ‘Dat kun je toch niet zo zeggen?’ Maar diep vanbinnen dacht ik hetzelfde. Onze agenda draaide ineens om hun leven. Ik merkte dat ik schrok als mijn telefoon ging. Dat ik hoopte dat het niet Marijke was. En dat vond ik verschrikkelijk om van mezelf te ontdekken.
Toch lag het niet alleen aan haar. Marijke was moe, bang en vaak alleen in haar hoofd. Hun dochter woont in Groningen, hun zoon in België. Allebei betrokken, maar niet om de hoek. En Joop zelf werd wisselend. De ene middag dronk hij gewoon een biertje met Kees en had je bijna het idee dat alles meeviel. Een week later keek hij me aan en vroeg: ‘Werk jij hier ook?’ in zijn eigen woonkamer. Dan brak er iets in me.
Het moeilijkste vond ik dat er geen wederkerigheid meer was. Dat klinkt hard, maar het is wel waar. Vroeger gingen we samen op pad en kwam iedereen met ideeën. Nu organiseerden wij, regelden wij, vingen wij op, stelden wij gerust. En als iets niet lukte, kregen we ook nog de teleurstelling over ons heen.
De vakantie was het breekpunt. Wij gaan al jaren in mei een week naar Texel. Dit jaar had Kees al geboekt: een huisje bij De Koog, fietsen mee, beetje wandelen, visje eten. Voor het eerst zonder het automatisch met hen af te stemmen. Eigenlijk omdat we wisten dat het met Joop niet meer haalbaar was. Te veel prikkels, te veel onrust, en eerlijk gezegd wilden wij ook een keer geen verantwoordelijkheid voelen.
Toen Marijke erachter kwam, was ze witheet. ‘Dus jullie hebben gewoon besloten dat wij niet meer meetellen?’ zei ze bij ons aan tafel. Joop zat erbij en keek van haar naar ons, zichtbaar onrustig. Kees bleef rustig. ‘Nee, dat hebben we niet besloten. We willen gewoon een week weg met z’n tweeën.’
‘Met z’n tweeën,’ herhaalde ze. ‘Precies. Nu het moeilijk wordt, kiezen jullie voor gemak.’
Ik zei: ‘Marijk, luister nou. We helpen al heel veel. Maar we kunnen niet alles opvangen.’
Ze schoof haar stoel naar achteren. ‘Nee, dat is me inmiddels wel duidelijk. Echte vrienden laten je blijkbaar vallen zodra het niet meer gezellig is.’
Joop begon toen ook geëmotioneerd te raken. ‘Heb ik iets fout gedaan?’ vroeg hij. Dat was misschien nog wel het ergste moment van alles. Niemand zei iets. Alleen de klok in de kamer tikte hard.
Na hun vertrek hebben Kees en ik lang stil gezeten. Geen televisie aan, geen radio. Alleen maar dat akelige gevoel dat je tegelijk opgelucht en beroerd bent. Op Texel heb ik de eerste twee dagen bijna constant aan hen gedacht. Of we egoïstisch waren. Of we lafhartig waren geweest door niet eerder duidelijker te zijn. Kees zei tijdens een wandeling over het strand: ‘Als we nu geen grens trekken, gaan we straks met tegenzin. En dan hou je uiteindelijk ook geen vriendschap meer over.’
Terug thuis heb ik Marijke een bericht gestuurd of ze wilde komen koffie drinken, zonder Joop erbij. Ze kwam, met wallen onder haar ogen en meteen een verdedigende blik. Ik heb haar gezegd: ‘Ik wil je niet kwijt. Maar wat jij van ons vraagt, kunnen wij niet blijvend geven. Niet op deze manier.’ Eerst werd ze weer boos. Daarna begon ze ineens te huilen. ‘Ik weet gewoon niet meer aan wie ik het moet vragen,’ zei ze.
Dat was misschien de eerlijkste zin van allemaal. Sindsdien is het contact anders. Minder spontaan, voorzichtiger. We helpen nog steeds, maar concreter: één vaste middag per week, een keer rijden naar een afspraak als het echt niet anders kan. En we hebben haar geholpen om via de gemeente en de casemanager meer ondersteuning te regelen. Ze vond dat eerst kil. Nu denk ik dat ze ook wel ziet dat wij dit alleen volhouden als het behapbaar blijft.
Ik rouw niet alleen om Joop, maar ook om de vriendschap zoals die was. Misschien is dat wel wat niemand hardop zegt wanneer ziekte in een vriendengroep komt: niet alleen de zieke verandert, iedereen verandert mee. Ik leer nu dat trouw zijn niet altijd betekent dat je alles geeft wat je hebt. Soms betekent het dat je eerlijk genoeg bent om op tijd je grens te zeggen.
Hoe kijken jullie hiernaar: ben je als vriend moreel verplicht om bijna mantelzorger te worden, of mag je ook kiezen voor je eigen rust zonder dat het verraad is?