‘Dan betaal ik mijn deel wel alleen’: hoe een vriendschap van dertig jaar begon te schuiven door één vakantie in Frankrijk

‘Doe nou niet zo principieel, Anja.’

Ik zette het koffie kopje iets te hard op het aanrecht. ‘Principieel? Omdat ik niet wil dat we een vriend gaan sponsoren alsof hij een kind is?’

Kees stond met zijn telefoon nog in zijn hand, half in de woonkamer, half in de keuken. Ik zag aan zijn gezicht dat hij net met Hans had gebeld. En ik wist eigenlijk meteen hoe laat het was.

Wij gaan al ruim dertig jaar met dezelfde club naar Frankrijk. Eerst met kinderen in tenten en vouwwagens, later huisjes met een zwembad, de laatste jaren een grote gehuurde villa ergens in de Dordogne of de Ardèche. Altijd hetzelfde uitgangspunt: iedereen betaalt evenveel, iedereen doet boodschappen, niemand houdt bonnetjes van een pak melk bij. Juist daarom werkte het. Geen gedoe. Geen afhankelijkheid.

Hans en Marijke horen daar vanaf het begin bij. Hans was altijd degene die de wijn uitkoos, de barbecue aan kreeg en overal wel een verhaal bij had. Niet luidruchtig, wel aanwezig. Vorig jaar is hij met pensioen gegaan. Dat viel financieel blijkbaar veel rauwer uit dan hij had verwacht. Minder pensioen, gedoe met een oude lening, tegenvallers waar wij tot voor kort niets van wisten.

‘Hij vroeg het niet voor zijn lol,’ zei Kees. ‘Hij schaamt zich kapot.’

‘Dat geloof ik meteen,’ zei ik. ‘Maar juist daarom moet je dit niet willen. Dan is hij volgend jaar weer afhankelijk. En het jaar daarna ook.’

Kees zuchtte. ‘Dus laten we hem dan maar thuis zitten?’

Dat was het moment waarop ik me de boeman voelde, terwijl ik dat niet vond. ‘Nee. Ik zei toch: laten we dit jaar iets goedkopers doen. Een kleiner huis, iets minder luxe, of gewoon een week in Zeeland. Dan kan iedereen mee zonder dat iemand gered hoeft te worden.’

Maar dat voorstel landde totaal verkeerd.

Een week later zaten we met z’n achten bij Rob en Elly in de tuin in Amersfoort. Witte wijn op tafel, schaaltjes pinda’s, die bekende lome sfeer van mensen die elkaar te goed kennen. Tot het onderwerp op tafel kwam.

Rob zei: ‘Ik vind eerlijk gezegd dat we niet moeilijk moeten doen. Als we allemaal een beetje bijleggen, merkt niemand het echt.’

Elly knikte. ‘Voor één keer moet dat toch kunnen?’

Ik keek naar Hans. Die keek niet op. Hij peuterde aan het etiket van zijn flesje Spa rood.

‘Voor één keer bestaat meestal niet,’ zei ik.

Marijke trok haar mond strak. ‘Je kunt ook gewoon zeggen dat je het niet voor hem over hebt.’

‘Dat zeg ik niet.’ Ik voelde mijn wangen warm worden. ‘Ik zeg dat ik geen situatie wil waarin iemand alleen nog mee kan als de rest betaalt. Dat verandert iets in een groep.’

Toen zei Hans eindelijk wat. Heel zacht eerst. ‘Dus omdat ik het nu minder breed heb, moeten we ineens in een stacaravan op de Veluwe gaan zitten?’

‘Hans, zo bedoel ik het niet.’

Hij keek me nu wel aan. ‘Nee, maar zo komt het wel over. Alsof ik een probleem ben dat opgelost moet worden.’

Dat kwam aan, juist omdat ik ergens wist dat hij gelijk had. Ik wilde gelijkwaardigheid bewaken, maar in zijn oren klonk het alsof hij afgleed en wij ons aanpasten aan zijn mislukking. Dat woord zei niemand, maar het hing er wel.

Op de terugweg in de auto zei Kees bijna niets. Pas bij Hoevelaken verbrak hij de stilte. ‘Je had hem wel erg hard.’

Ik staarde naar de achterlichten voor ons. ‘Ik was niet hard. Ik was duidelijk.’

‘Soms is dat hetzelfde.’

Daar heb ik die nacht lang over liggen malen. Want Kees is niet iemand die snel tegen me ingaat. Juist daarom kwam het binnen. De dagen erna werd het nog stroever. In de appgroep ging het ineens over aanbetalingen, kamers, data. Alsof de beslissing al genomen was. Kees zei op een avond: ‘Als jij niet wilt bijdragen, betaal ik dat extra deel wel uit mijn eigen rekening.’

Dat vond ik misschien nog wel het ergste. Niet vanwege het geld, maar omdat het iets tussen ons in trok. Alsof hij zei: jouw principes zijn van jou, mijn loyaliteit is van mij.

Ik vroeg hem: ‘En wat gebeurt er als Hans volgend jaar weer niet kan? Of als Rob straks ook krapper komt te zitten? Waar ligt dan de grens?’

Kees haalde zijn schouders op. ‘Die zien we dan wel.’

Maar voor mij werkt vriendschap juist niet goed zonder grenzen.

Een paar dagen later ben ik bij Marijke langsgegaan. Gewoon, op de koffie. Zonder groep, zonder Kees. Eerst ging het stroef, maar uiteindelijk zei ze iets wat ik niet meer uit mijn hoofd krijg. ‘Weet je wat het is, Anja? Voor mannen als Hans voelt geldverlies niet alleen als minder kunnen betalen. Het voelt als minder meetellen.’

Ik zei: ‘En denk je dat betaald worden door vrienden niet precies hetzelfde oproept?’

Ze werd stil. ‘Jawel,’ zei ze toen. ‘Maar thuisblijven ook.’

Daar zat de hele ellende in één zin.

Uiteindelijk is de vakantie doorgegaan zoals de meesten wilden: Frankrijk, groot huis, zwembad, veel te ver rijden op één dag. Kees heeft, samen met Rob, een deel van Hans’ kosten betaald. Niet via een open pot, maar ‘onderling geregeld’, zoals dat dan heet. Ik ben wel meegegaan, maar anders dan andere jaren. Voorzichtiger. Alsof er ineens overal iets meespeelde wat vroeger niet bestond.

En eerlijk is eerlijk: Hans deed overdreven zijn best. Hij kookte vaker, haalde brood, stond als eerste op om de vaatwasser uit te ruimen. Niemand zei er iets van, maar ik zag het wel. Juist dat wilde ik voorkomen.

Op de laatste avond zaten Hans en ik nog even samen buiten, plastic glazen rosé in de hand, de krekels op de achtergrond. Hij zei: ‘Ik ben nog steeds boos op je, hoor.’ En toen moest hij half lachen. ‘Maar misschien ook omdat je iets zei wat ik zelf niet wilde horen.’

Ik zei: ‘Ik ben niet tegen helpen. Ik ben alleen bang voor wat helpen met mensen doet als niemand eerlijk zegt wat het kost.’

Hij knikte. ‘Dat snap ik nu beter. Maar trots is ook duur.’

Sindsdien is de groep niet uit elkaar gevallen, maar wel veranderd. We praten opener over geld dan vroeger, wat ongemakkelijk is, maar misschien ook gezonder. Voor volgend jaar hebben we voor het eerst twee opties op tafel gelegd: luxe of eenvoudiger. Dat alleen al was vroeger ondenkbaar.

Ik heb geleerd dat gelijk hebben iets anders is dan gelijk krijgen, en dat waardigheid soms precies zit op de plek waar solidariteit en grens trekken met elkaar botsen. Hoe zouden jullie hiermee omgaan: samen een vriend financieel opvangen, of juist de plannen aanpassen zodat niemand afhankelijk wordt?