Na veertig jaar Frankrijk zei mijn vrouw ineens: ‘Ik ga niet meer mee als het weer zo moet’ — en ik wist niet meer aan wie ik trouw moest blijven

‘Maak jij die boeking nou vandaag even af?’ appte Kees in onze groepsapp, met zo’n duimpje erachter alsof het allang geregeld was. Ik zat aan de keukentafel met mijn leesbril op, de laptop open, de campingwebsite voor mijn neus. Ria stond bij het aanrecht en zei zonder zich om te draaien: ‘Als het weer zo gaat als de afgelopen jaren, ga ik niet mee.’

Ik lachte eerst nog een beetje ongemakkelijk. ‘Ach kom, zo erg is het toch niet.’

Ze draaide zich om, theedoek in haar hand. ‘Jan, hou nou eens op. Jij zegt al tien jaar dat het wel meevalt. Ik kom van zo’n vakantie vermoeider thuis dan ik ga.’

Dat kwam binnen, juist omdat ze het rustig zei.

Wij gaan al bijna veertig jaar met dezelfde club naar Frankrijk. Drie stellen, later vier, toen de kinderen klein waren met vouwwagens en pakken limonade, nu met elektrische fietsen, campingstoelen met hoge rug en een gezamenlijke app waarin iedereen foto’s van stokbrood en rosé zet. Het was jarenlang het hoogtepunt van de zomer. Bekende marktjes, een dag aan het meer, ’s avonds kaarten, beetje mopperen op het weer en verder niks ingewikkelds.

Alleen was er altijd ook Theo. Of eigenlijk: Theo zoals hij geworden is naarmate we ouder werden. Vroeger noemden we hem daadkrachtig. Handig, iemand die meteen een restaurant belde of een route uitstippelde. Maar de laatste jaren bepaalde hij alles. Hoe laat we weggingen. Welke camping ‘handiger’ was. Waar we gingen eten. En als iemand iets anders voorstelde, zei hij: ‘Ja, dat kan wel, maar dat is gewoon niet slim.’

Zijn vrouw Marga ging daarin mee. Niet gemeen of zo, meer op zo’n manier dat je vanzelf dacht: laat maar. En wij lieten het dus al jaren gebeuren.

Ria niet meer.

‘Weet je nog vorig jaar in de Dordogne?’ zei ze. ‘Ik wilde één dag gewoon lezen bij de tent. Meteen was het: of ik niet gezellig mee kon naar dat wijndomein, want anders viel de planning uit elkaar. Planning! We zijn met pensioen, Jan.’

Ik wist precies welk moment ze bedoelde. Ik had toen ook gezien dat haar gezicht dichtklapte. Maar ik had, zoals altijd, iets gezegd als: ‘Ga nou maar mee, dan hebben we geen gedoe.’

Dat herhaalde ze nu letterlijk. ‘Dat is jouw oplossing altijd. Geen gedoe. Maar voor wie eigenlijk? Voor jou misschien. Voor mij niet.’

Ik zei niks. Buiten reed de buurman zijn kliko terug. Gewoon zo’n doodnormale dinsdagochtend, en toch voelde het alsof er iets jaren-oudds begon te scheuren.

Die avond zei ze aan tafel: ‘Ik vraag niet dat jij ruzie maakt. Ik vraag alleen dat je één keer eerlijk zegt dat het anders moet.’

‘En als de groep daardoor uit elkaar valt?’ vroeg ik.

‘Dan viel die blijkbaar al uit elkaar op het moment dat niemand iets mocht zeggen.’

Daar sliep ik slecht van. Kees ken ik sinds de technische school. We hebben elkaars bruiloften meegemaakt, verhuizingen, begrafenissen van ouders. Zo’n vriendschap gooi je niet zomaar weg omdat iemand irritant dominant is op vakantie, hield ik mezelf voor. Tegelijk dacht ik aan Ria, die de laatste jaren al in mei spanning kreeg als de route werd besproken.

Een week later zaten we met z’n achten op een terras in Amersfoort om de vakantie door te nemen. Theo had al een lijstje. Natuurlijk had hij dat.

‘Ik heb iets moois gevonden net onder Limoges,’ zei hij. ‘Goede uitvalsbasis. Maar dan moeten we wel op dinsdag vertrekken, anders kom je in die zaterdagdrukte.’

‘Wij willen dit jaar niet alles vastleggen,’ zei Ria. Gewoon kalm, terwijl ze haar koffie roerde.

Theo keek op. ‘Hoe bedoel je?’

Ik voelde mijn hart in mijn keel. Dit was het moment waar ik bang voor was geweest en waar ik toch iets moest doen.

‘Nou,’ zei ik, en ik hoorde zelf hoe stroef het klonk, ‘we vinden het de laatste jaren wel erg… strak worden. Alsof alles al besloten is voordat we iets kunnen inbrengen.’

Het bleef even stil. Kees keek naar zijn glas. Marga trok haar wenkbrauwen op. Theo leunde achterover.

‘Dus ik regel alles en dan is het weer niet goed,’ zei hij.

‘Dat zeggen we niet,’ zei ik. ‘We zeggen dat we ook zelf willen kiezen. Soms ergens niet aan meedoen zonder dat dat meteen als lastig wordt gezien.’

Ria zei: ‘Ik wil op vakantie niet het gevoel hebben dat ik toestemming nodig heb om een boek te lezen.’

Dat was direct, misschien hard, maar wel waar.

Theo zuchtte. ‘Jemig, zo heb ik het nooit bedoeld.’

‘Nee,’ zei Ria, ‘maar zo voelt het wel.’

Toen gebeurde er iets wat ik eerlijk gezegd niet had verwacht. Niet groots, niet dramatisch. Kees kuchte en zei: ‘Ik vind het eigenlijk ook wel prettig als niet alles al dichtgetimmerd is.’ Zijn vrouw knikte meteen. Marga keek naar Theo en zei zacht: ‘Misschien neem jij ook wel vaak te veel over.’

Theo werd rood. ‘Nou, dan bemoei ik me nergens meer mee.’

Dat was precies zijn toon waardoor iedereen normaal terugkrabbelde. Ik ook, jarenlang. Maar nu zei ik: ‘Dat hoeft ook weer niet. Het gaat niet om straf. Het gaat om ruimte.’

We hebben daar twee uur gezeten. Onhandig, schurend, soms stil. Er werd niet gezellig gedaan om het gezellig te houden. En voor het eerst in jaren was dat eigenlijk een opluchting.

Uiteindelijk spraken we af: geen volledig dichtgetimmerd schema meer, alleen de eerste camping vast, iedereen vrij om een dag wel of niet mee te gaan, en restaurantkeuzes per keer bespreken. Simpel eigenlijk. Iets wat we twintig jaar eerder al hadden moeten doen.

Op de terugweg in de auto zei Ria: ‘Ik ben trots op je.’ Ik merkte pas toen hoe gespannen ik al die tijd was geweest. Alsof ik dacht dat eerlijk zijn hetzelfde was als verraden.

We zijn die zomer gewoon gegaan. Het was niet ineens perfect. Theo viel af en toe nog in zijn oude patroon, ik in het mijne van sussen en gladstrijken. Maar er werd meer uitgesproken. Eén middag bleef Ria met een boek achter op de camping en niemand zei er iets van. Toen ik later terugkwam, zat ze in de schaduw met een glas water en zei ze: ‘Zo had ik vakantie gemist.’

Ik heb geleerd dat de lieve vrede soms helemaal niet lief is, maar gewoon stilte waar iedereen in blijft hangen. En dat vriendschap van veertig jaar best tegen een eerlijk gesprek moet kunnen, anders was het misschien vooral gewoonte. Hoe zouden jullie hiermee zijn omgegaan: slikken om de groep bij elkaar te houden, of eerder je grens trekken?