‘Jullie laten onze vriendschap doodbloeden’: na 34 jaar vriendschap moest ik eindelijk zeggen dat ik hun plannen niet meer trok

‘Dus,’ zei Kees terwijl hij een dikke ordner op onze eettafel liet vallen, ‘als we het een beetje slim aanpakken, kunnen we volgend voorjaar al beginnen.’ Ik keek naar de plattegrond, naar de foto’s van een vervallen huisje ergens in de Dordogne, en ik voelde meteen die bekende druk op mijn borst. Naast me schoof mijn man Hans zijn bril af en wreef over zijn ogen. Ik kende dat gebaar inmiddels te goed. Oververmoeid, leeg, klaar met plannen. En toch hoorde ik mezelf zeggen: ‘Jeetje, dat is wel… uitgebreid.’

We zijn al sinds eind jaren tachtig bevriend met Kees en Marjan. Eerst via het werk, later via de kinderen, vakanties, oud en nieuw, ziekenhuisbezoeken, begrafenissen, alles. Wij waren geen vrienden die je eens per kwartaal zag. Wij waren elkaars mensen. Als er iets was, belden we elkaar als eerste. Zo is het altijd geweest.

Misschien maakt dat het juist zo moeilijk om toe te geven dat iets wat vroeger vanzelf ging, nu begint te schuren.

Hans en ik zijn vorig jaar met pensioen gegaan. Iedereen zei: ‘Heerlijk, nu begint het genieten.’ Maar bij ons was het geen champagnegevoel. Hans was op. Veertig jaar in het onderwijs, altijd maar verantwoordelijkheid, altijd bereikbaar. Ik had zelf na mijn werk in de thuiszorg gedacht dat ik juist méér energie zou krijgen als de druk wegviel, maar het was alsof mijn lijf pas toen begon te vertellen hoe moe ik eigenlijk al jaren was. We sliepen uit, vergaten afspraken, zeiden dingen af en voelden ons daar dan weer schuldig over.

Kees en Marjan gingen een paar maanden na ons met pensioen, en bij hen leek er juist een motor aan te slaan. Wandelgroep, museumjaarkaart, camperroutes, vrijwilligerswerk, en toen die gezamenlijke moestuin op het volkstuincomplex in Zeist. ‘Gezellig joh, dan hebben we een project,’ zei Marjan. ‘Anders zit je maar te verpieteren achter de geraniums.’

Ze bedoelde het half als grap, maar het prikte wel. Want ik verpieterde niet. Ik was aan het bijkomen.

In het begin probeerden we mee te bewegen. We gingen op woensdag koffie drinken in De Bilt, op vrijdag naar de markt in Utrecht, op zondag ‘even kijken’ bij de moestuin, wat nooit even was. Dan stond Kees al met werkhandschoenen klaar. ‘Hans, pak jij die tegels?’ En als Hans zei dat zijn rug opspeelde, werd het stil op zo’n manier die erger was dan ruzie.

In de auto terug zei ik vaak: ‘We moeten gewoon eerlijk zijn.’

Dan zei Hans: ‘Ja.’

Maar thuis belde Marjan alweer. ‘Zullen we volgende week met z’n vieren naar de Veluwe? Niet te lang hoor, gewoon lekker actief.’

Ik merkte dat ik haar naam op mijn scherm begon te zien en dacht: alsjeblieft, even niet. Alleen al dat besef vond ik verschrikkelijk. Dit was Marjan, met wie ik bevallen ben en gehuild heb en dronken op Terschelling heb gedanst toen we veertig werden.

Die avond met de ordner liep het uit de hand. Kees sloeg een pagina om en zei: ‘Als ieder stel een ton inlegt, kunnen we de basis doen. En in de zomer kunnen we zelf klussen. Jij bent handig, Hans.’

Hans lachte kort. ‘Kees, ik ben 67. Ik wil helemaal niet zelf een dak staan isoleren in 35 graden.’

Marjan trok haar wenkbrauwen op. ‘Nou, zo zwaar hoeft het toch niet te zijn? Het is ook een droom, hè. Iets samen opbouwen.’

Ik zei nog voorzichtig: ‘Het klinkt mooi, maar ik denk dat wij op dit moment iets anders nodig hebben.’

‘Rust zeker,’ zei Kees. Niet boos nog, meer spottend.

Hans legde zijn handen plat op tafel. ‘Ja. Eerlijk? Rust. Geen projecten, geen schema’s, geen vaste gezamenlijke plannen waar we in mee moeten.’

Daarna viel er zo’n stilte waarin je al voelt dat er iets kapotgaat.

Marjan keek me aan. ‘Maar jullie zeggen ook overal nee op de laatste tijd.’

Ik voelde mijn wangen warm worden. ‘Omdat het te veel is.’

‘Of omdat jullie geen zin meer in ons hebben,’ zei ze.

‘Dat is niet eerlijk,’ zei ik meteen, maar ik hoorde zelf ook hoe zwak het klonk.

Kees schoof de ordner van zich af. ‘Wij trekken al maanden aan jullie. Alles komt van onze kant. Als dit jullie nieuwe leven is, prima. Maar zeg dan gewoon dat je de vriendschap laat doodbloeden.’

Ik schoot vol. Niet netjes, niet beheerst. Gewoon vol. ‘We laten helemaal niks doodbloeden. We proberen overeind te blijven. Waarom moet vriendschap bij jullie altijd iets doen, iets bouwen, iets organiseren? Waarom is samen koffie drinken zonder plan niet genoeg?’

Hans zei zacht: ‘Ik ben moe, Kees. Niet een beetje moe. Echt moe. En ik schaam me daar al genoeg voor.’

Toen keek Kees voor het eerst anders. Alsof hij dat woord pas serieus nam toen Hans het zo kaal op tafel legde.

Marjan begon ook te huilen, wat ik bijna erger vond dan boosheid. ‘Wij zijn juist zo bang dat alles stilvalt,’ zei ze. ‘Dat dit het dan is. Wachten tot er weer iemand iets mankeert.’

En ineens begreep ik iets wat ik eerder niet wilde zien: hun drukte was niet alleen enthousiasme. Het was ook angst. Voor leegte, voor ouder worden, voor dagen zonder richting. Waar Hans en ik verlangden naar stilte, probeerden zij diezelfde stilte weg te rennen.

We hebben die avond het Frankrijk-plan dichtgeslagen. Geen knallende verzoening, geen arm in arm aan de wijn. Kees zei dat hij tijd nodig had. Marjan appte twee dagen later alleen: ‘Ik ben verdrietig, maar ik denk erover na.’

Nu zijn we drie maanden verder. We zien elkaar minder. Soms doet dat pijn als een rouwproces. Maar vorige week hebben Marjan en ik een uur gewandeld, gewoon langs de Kromme Rijn, zonder agenda. Aan het eind zei ze: ‘Misschien moeten we opnieuw leren hoe dit werkt.’ Ik zei: ‘Misschien wel, ja.’

Ik dacht altijd dat een lange vriendschap vanzelf sterk genoeg was om elke levensfase te dragen. Nu denk ik dat je elkaar soms juist moet teleurstellen om eerlijk bij elkaar te kunnen blijven. Hoe zouden jullie hiermee omgaan: meebewegen om de vriendschap te redden, of afstand nemen om jezelf niet kwijt te raken?