We wilden alleen een weekend weg, maar toen onze oudste vrienden huilden aan de telefoon, voelde het alsof wij hen verrieden

“Dus jullie gaan gewoon?” hoorde ik door de telefoon, en daarna alleen nog gesnik. Ik stond met mijn weekendtas half ingepakt op bed, Jan zat beneden de tomtom in te stellen, en ineens voelde dat simpele uitje naar een hotel in Deventer alsof we iets onvergeeflijks deden. “Ria, het is maar van vrijdag tot zondag,” zei ik. “We hebben boodschappen gehaald, de medicijnen liggen klaar, en Karin van de thuiszorg komt morgen ook.” Maar Ria hoorde alleen dat we er niet waren. Op de achtergrond riep Henk: “Laat maar, wij redden ons wel. Zoals altijd.” Dat zinnetje sneed dwars door me heen, juist omdat het niet waar was.

Wij kennen Henk en Ria al sinds 1987. Onze kinderen zaten samen op zwemles in het oude bad in Amersfoort. Het was nooit zo’n vriendschap van grote woorden, maar wel van sleutels aan elkaar geven, samen gourmetten met kerst, op elkaars hond passen, dat soort dingen. Gewoon degelijk, jarenlang. Toen Jan en ik allebei met pensioen gingen, zeiden we nog: mooi, nu hebben we eindelijk tijd om elkaar vaker te zien zonder agenda’s.

Maar de laatste twee jaar veranderde er iets. Eerst klein. Ria vergat afspraken. Henk liet de waterkoker aanstaan. Dan belde Ria drie keer op een ochtend om te vragen of ik toevallig haar pinpas had gezien. We gingen ÊÊn keer per week helpen met de boodschappen bij de Albert Heijn en namen de post even door aan de eettafel met die vergeelde placemats die er al twintig jaar liggen. Jan deed de administratie, ik schreef afspraken in een grote agenda met dikke zwarte letters.

“Het is tijdelijk,” zei ik steeds.
Jan keek me dan aan en zei: “Ik hoop het.”

Tijdelijk werd dagelijks. Als de telefoon om half acht ging, wist ik meestal al genoeg. Henk die de televisie niet uitkreeg. Ria die dacht dat haar zus nog leefde en opgehaald moest worden op station Amersfoort. Een brief van de gemeente die “met spoed” moest worden uitgelegd. Een gevallen plant, een kwijt gehoorapparaat, een pan die was aangebrand. Niks op zichzelf was een ramp, maar alles bij elkaar vrat het ons op.

Ons eigen leven werd kleiner zonder dat ik het doorhad. Koffie met vriendinnen zei ik af “want het komt even niet uit”. Jan stopte met zijn wekelijkse fietsgroep. We aten steeds later, sliepen slechter. Als de bel ging, schrok ik al. En toch zei ik steeds tegen iedereen: “Ach, het zijn onze vrienden. Wie hebben ze anders?”

Op een avond, toen ik voor de derde keer die week hun medicijnen had uitgezocht omdat Ria alles door elkaar had gehaald, schoof Jan zijn bord weg. “Ik trek dit niet meer, Els.”
“We kunnen ze toch niet laten vallen?” zei ik meteen.
“Dat zeg ik niet. Maar dit is geen vriendschap meer zoals het was. Dit is zorg. En zorg moet je organiseren.”
Ik werd boos, vooral omdat ik wist dat hij niet helemaal ongelijk had. “Dus we dumpen ze bij instanties?”
“Hou op met dat woord. Thuiszorg is geen dumpen. Casemanager dementie is geen verraad. We zijn 62, geen hulpverleners op afroep.”

We kregen er dagenlang ruzie over, op zo’n vermoeide manier waarop je elkaar steeds net verkeerd hoort. Jan vond dat ik uit schuldgevoel bleef doorgaan. Ik vond dat hij te hard werd. De waarheid was pijnlijker: we waren allebei op.

Toen had onze dochter een weekendje Deventer voor ons geregeld, omdat we veertig jaar getrouwd waren. “Ga nou gewoon,” zei ze. “Jullie zijn alleen nog maar aan het rennen.” Ik voelde me er bijna schuldig om dat ik er zin in had.

De dag voordat we weg zouden, hebben we alles geregeld. Extra boodschappen. Briefje op de koelkast. Nummers op papier. De buurvrouw ingelicht. De thuiszorg gebeld. Ik dacht echt: nu doen we het verantwoord.

En toen kwam dat telefoontje.

Ik zei tegen Ria: “We laten jullie niet in de steek. We zijn er maandag weer.”
Ze werd stil en zei toen heel zacht: “Vroeger hoefden we niemand te vragen. Nu zijn we voor alles afhankelijk. En als jullie ook weggaan, blijft er niks over.” Ik ben op de rand van het bed gaan zitten en kon even niks zeggen. Want daar zat natuurlijk hun echte pijn, niet in dat weekend, maar in alles wat ze kwijt waren geraakt.

Jan kwam boven, pakte de telefoon van me over en zei rustig: “Henk, luister. Dit kan zo niet langer. Na het weekend gaan we met de huisarts en de casemanager praten. Er moet meer hulp komen.” Henk werd boos. “Dus wij zijn een last.” Jan zei: “Nee. Maar het is wel te veel geworden.”

We zijn toch gegaan, maar gezellig was anders. In het hotel vroeg Jan bij het ontbijt: “Ben je boos op mij?” Ik zei: “Nee. Ik ben vooral boos dat dit ons overkomt en hen ook.” Dat was denk ik de eerlijkste zin die ik in maanden had uitgesproken.

De week erna hebben we met de huisarts, de praktijkondersteuner en later een casemanager om tafel gezeten. Het ging niet zonder weerstand. Ria vond vreemden over de vloer verschrikkelijk. Henk deed alsof hij alles nog prima kon. Ik herkende daar ook trots in, schaamte, en angst. Misschien ook wel hetzelfde als bij mij: niet willen toegeven dat een tijd voorbij is.

Nu komt er meerdere keren per week hulp. Jan doet de administratie nog ÊÊn vaste middag. Ik ga op donderdag mee wandelen of drink koffie, maar niet meer elke dag en niet meer bij elk telefoontje. Soms voel ik me nog steeds schuldig als ik niet meteen opneem. Soms hoor ik teleurstelling aan de andere kant. En toch merk ik ook dat ik weer ademhaal. Laatst zat ik voor het eerst in maanden weer met een vriendin op een terras aan de Hof en keek ik niet steeds op mijn scherm.

Vriendschap is voor mij nog steeds: blijven, ook als het moeilijk wordt. Maar ik leer nu dat blijven niet hetzelfde is als jezelf helemaal weggeven. Misschien help je iemand soms juist beter door niet alles meer zelf te willen dragen. Hoe zouden jullie dat doen: wanneer ben je een goede vriend, en wanneer moet je eerlijk toegeven dat het te veel wordt?