‘Ik hield de formulieren voor bewindvoering al in mijn hand, terwijl mijn vrouw tegenover me zei: “Dus jij wilt mij gewoon weg hebben?”’
‘Als je dat doet, vergeef ik je het nooit meer.’ Mijn vrouw zei het niet hard, maar vlak. Dat was misschien nog erger. Ze stond in haar vest met de sleutels in haar hand, terwijl ze al tien minuten zocht naar haar tas die gewoon op de stoel lag. Op tafel lagen de papieren van de rechtbank, half onder de krant van gisteren. Bewindvoering. Mijn naam erboven, die van haar eronder. Ik kreeg er zelf ook een droge mond van.
We zijn allebei begin zestig. Ons hele werkzame leven hebben we gespaard. Geen verre reizen, geen gekke auto’s. Gewoon netjes leven, extra aflossen, zodat we na mijn pensioen konden verhuizen naar een kleinschalige woonvorm in Noord-Brabant, in de buurt van Vught. Een appartement, gezamenlijke tuin, zorg op afroep. Niet meteen een verpleeghuis, helemaal niet. Meer een plek waar je zelfstandig woont, maar niet alles alleen hoeft te dragen als het minder gaat.
Alleen ging het bij mijn vrouw, Els, sneller minder dan we wilden toegeven. In het begin was het klein. Boodschappen dubbel kopen. De pincode kwijt zijn. Drie keer op een ochtend vragen of onze dochter al had gebeld. Toen ze een pan op het vuur liet staan en zelf bij de buurvrouw koffie ging drinken, voelde ik voor het eerst echte angst. Niet irritatie, maar angst.
Els zag het anders. ‘Iedereen vergeet wel eens wat,’ zei ze. ‘Jij ook, hoor.’
En daar had ze soms gelijk in. Daarom twijfelde ik ook steeds aan mezelf. Maak ik het groter dan het is? Ben ik ongeduldig? Ben ik gewoon bang voor wat er aankomt?
Maar ik ben degene die ’s nachts wakker schrikt omdat de voordeur open blijkt te staan. Ik ben degene die de bank belt omdat er weer een rare overschrijving is gedaan aan een goed doel waar ze telefonisch in was geluisd. Ik ben degene die overdag doet alsof het wel gaat en ’s avonds in de schuur even blijft staan omdat ik niet meteen weer naar binnen wil.
Onze zoon Mark zei laatst aan de keukentafel: ‘Pap, dit trek jij niet nog jaren. Dat zie ik toch ook?’
Onze dochter Sanne werd boos. ‘Mam is geen pakketje dat je alvast ergens neerzet omdat het later misschien handiger is.’
‘Handiger?’ zei ik. ‘Denk jij dat ik dit voor mijn gemak doe?’
Els zat erbij en keek van de een naar de ander. Toen zei ze: ‘Er wordt over mij gepraat alsof ik er niet ben.’ En daar schaam ik me nog steeds voor, want ze had gelijk.
Die woonvorm in het zuiden was jarenlang ons plan. Ons gezamenlijke plan. We zijn er drie keer wezen kijken. Els vond de binnentuin mooi, de serre ook. Tot het concreet werd. Tot we echt moesten beslissen. Ineens wilde ze niet meer. Ze wilde haar kaartclub niet missen, de buurvrouw op nummer 12 niet, de markt op woensdag, haar eigen huisarts, de straat waar we dertig jaar wonen.
‘Ik ben nog niet zover,’ zei ze dan.
Ik antwoordde: ‘Misschien moet je gaan vóór je zover bent.’
Dat vond zij een gemene zin. Misschien was het dat ook.
De casemanager dementie, Anita, probeerde rustig te blijven. ‘Zolang iemand wilsbekwaam is op dit onderwerp, kun je niet zomaar over haar heen beslissen,’ zei ze. ‘Maar u mag als partner wél uw grens aangeven. U hoeft niet onbeperkt mantelzorger te blijven.’
Die zin bleef hangen. Je grens aangeven. Het klonk verstandig, maar in de praktijk voelde het als verraad. Als ik zei dat ik dit thuis niet meer kon, hoorde Els alleen: ik wil je kwijt.
Vorige maand ging het echt mis. Ik was twintig minuten naar de apotheek. Toen ik terugkwam, stond Els in haar jas buiten, zonder telefoon, in de regen. Ze wist niet meer welke sleutel op onze voordeur paste. Ze lachte het weg toen ze me zag. ‘Ach, stom van me.’ Maar haar handen trilden.
Die avond heb ik voor het eerst serieus naar bewindvoering gekeken. Niet omdat ik macht wilde, maar omdat ik bang was dat we anders zouden blijven hangen tot er iets ergers gebeurde. Een val. Brand. Verdwaald raken. Of dat ik zelf instortte.
Toen ze de papieren zag, werd ze wit. ‘Dus jij denkt dat ik gek ben?’
‘Nee,’ zei ik. ‘Dat denk ik niet.’
‘Jawel. Je wilt dat iemand anders beslist wat ik met mijn leven doe.’
Ik zei niks, en dat was eigenlijk al antwoord genoeg.
Later die week ben ik met Sanne gaan wandelen in het park. Ze zei: ‘Pap, ik snap je angst echt. Maar als je dit nu doordrukt, maak je misschien meer kapot dan je oplost. Mam verliest dan niet alleen haar huis, maar ook het gevoel dat ze nog iemand is die zelf iets mag kiezen.’
Mark zei juist: ‘En als er morgen iets gebeurt, zegt iedereen dat jullie te lang gewacht hebben.’
Dat is precies het gat waar ik in ben gevallen. Wat je ook doet, het voelt te vroeg of te laat.
Uiteindelijk heb ik de aanvraag niet meteen verstuurd. We hebben nu eerst afgesproken om tijdelijk extra thuiszorg en dagbesteding te regelen, en over drie maanden opnieuw te kijken. Ook ga ik zelf één weekend per maand naar mijn broer, omdat Anita heel duidelijk zei dat doorgaan op pure loyaliteit ook een vorm van onverantwoordelijkheid kan zijn.
Els was het daar met tegenzin mee eens. ‘Ik ga niet naar Brabant omdat jij moe bent,’ zei ze.
Ik antwoordde: ‘Nee. Maar ik wil ook niet wachten tot we allebei kapot zijn.’
We praten sindsdien eerlijker, al doet dat soms meer pijn dan het zwijgen. Ik weet nog steeds niet of ik juist handel. Ik weet alleen dat liefde op deze leeftijd soms niet meer gaat over samen dezelfde kant op willen, maar over verdragen dat de ander iets anders nodig heeft dan jij.
Misschien is waardigheid niet alleen zelf mogen kiezen, maar ook serieus genomen worden in je angst — van allebei de kanten. Waar ligt volgens jullie de grens tussen beschermen en iemand zijn eigen regie afnemen?