Na dertig jaar de spil van onze vriendengroep te zijn geweest, zei ik ineens: ‘Ik regel het niet meer’ — en toen bleek hoe broos onze vriendschap eigenlijk was
‘Doe nou niet zo moeilijk, Marja. Jij bent daar gewoon goed in.’
Ik zat met mijn handen om een lauwe cappuccino in het café aan de markt in Amersfoort en voelde mijn kaken strak worden. Aan de overkant van de tafel haalde Els haar schouders op, alsof ze iets heel redelijks zei. Karel keek naar buiten. Mijn man Hans schoof ongemakkelijk op zijn stoel. En ik dacht alleen maar: na al die jaren zien jullie me dus vooral als een agenda met een pollepel.
We zijn met z’n achten, vier stellen, en we kennen elkaar al sinds de jaren negentig. Eerst via de kinderen op de basisschool, later bleven we elkaar zien toen die allang het huis uit waren. Eén keer per week koffie, eens in de paar weken samen eten, in de zomer een barbecue, rond kerst iets uitgebreiders. Altijd gezellig, altijd vertrouwd. En, als ik eerlijk ben: bijna altijd door mij geregeld.
Ik stuurde de appjes, prikte data, reserveerde restaurantjes, hield rekening met diëten, onthield wie er ruzie had met wie, wie niet naast wie in de auto wilde, wie liever niet te laat at. Als iemand zei: ‘Zullen we weer eens wat afspreken?’ dan keek iedereen automatisch mijn kant op. Dat is niet in één dag zo gegroeid. Ik deed het gewoon. Ik vond het ook leuk, lange tijd.
Maar de laatste maanden merkte ik dat ik moe werd van het vooruitdenken voor iedereen. Ik werk nog drie dagen per week in de apotheek en tel af naar mijn pensioen. Voor het eerst dacht ik: straks wil ik niet meer van alles moeten. Ik heb me opgegeven voor een cursus keramiek in Leusden, ik wil vaker wandelen, misschien gewoon eens een week niks plannen. Geen groepsapp waarin op dinsdag al paniek ontstaat over zaterdag.
Dus twee weken geleden had ik in de app gezet: ‘Lieve allemaal, nu ik straks minder ga werken wil ik ook minder regelen. Zullen we voortaan de etentjes en uitjes een beetje verdelen?’ Ik had er nog een smiley achter gezet, juist om het luchtig te houden.
De reacties vielen tegen. Eerst bleef het lang stil. Toen stuurde Peter: ‘Maar jij vindt dat toch leuk?’ Els: ‘Het werkt toch prima zo?’ En later, toen we bij elkaar zaten, kwam het echte antwoord.
‘Ik vind het eerlijk gezegd wel laat om dat nu ineens om te gooien,’ zei Els terwijl ze haar lepeltje op het schoteltje legde. ‘We hebben het altijd zo gedaan.’
‘Precies,’ zei Peter. ‘Als iedereen zich ermee gaat bemoeien, wordt het alleen maar gedoe. Jij hebt overzicht.’
Ik hoorde mezelf zeggen: ‘Maar ik wil dat overzicht helemaal niet meer altijd hebben.’
‘Ja, maar dan valt het waarschijnlijk stil,’ zei Karel. Niet gemeen, meer feitelijk. Dat maakte het misschien nog pijnlijker.
Hans keek toen eindelijk op. ‘Als het stilvalt, zegt dat misschien ook iets,’ zei hij.
Niemand zei even wat. Ik was hem dankbaar, maar ik voelde ook zijn twijfel. Thuis had hij die ook uitgesproken.
‘Ik sta achter je, echt,’ had hij in de keuken gezegd terwijl hij de vaatwasser uitruimde. ‘Maar ik ben wel bang dat als jij stopt, de boel verwatert. En die mensen zijn ook ons sociale vangnet.’
Dat woord bleef hangen: vangnet. Alsof ik het net was, en de rest er vooral in wilde blijven liggen.
Die avond in het café werd ik bozer dan ik van plan was. ‘Dus omdat ik het jaren gedaan heb, moet ik het maar blijven doen? Is dat het?’
Els zuchtte. ‘Nee, maar je brengt het nu alsof wij tekortschieten. Dat vind ik niet helemaal fair.’
‘Ik vraag alleen of iemand anders ook eens iets oppakt.’
‘Je eist het wel een beetje,’ zei Peter.
Daar schrok ik van, omdat ik meteen dacht: klink ik zo? Ik ben niet iemand die graag ruzie maakt. Ik ben juist degene die ongemak dichtplamuurt met een extra schaal salade en een goed gekozen restaurant.
Maar onderweg naar huis, in de auto over de A28, merkte ik dat er onder de boosheid ook opluchting zat. Eindelijk lag het op tafel. Hans reed stil. Bij het stoplicht bij Zielhorst zei hij: ‘Misschien hebben ze gewoon nooit doorgehad hoeveel werk het was.’
‘Dan hebben ze ook nooit echt gekeken,’ zei ik.
De week erna deed ik expres niets. Geen appje, geen voorstel, geen ‘zullen we’. Het bleef stil in de groep. Drie dagen, vijf dagen, een hele week. Ik vond het kinderachtig van hen en ongemakkelijk van mezelf dat ik er toch steeds naar keek. Toen stuurde Anja, de rustigste van allemaal, ineens een apart berichtje: ‘Ik heb erover nagedacht. Je hebt eigenlijk gewoon gelijk. Ik heb er nooit bij stilgestaan. Zullen Wim en ik volgende week iets regelen?’
Ik moest huilen toen ik dat las. Niet eens van blijdschap, eerder omdat één iemand eindelijk begreep wat ik probeerde te zeggen.
Vorige vrijdag zaten we bij Wim en Anja in de tuin in Soest, aan een wankele tuintafel met een pan simpele pasta en stokbrood uit de supermarkt. Het was niet perfect. We aten te laat, Peter mopperde dat de saus wat flauw was, en niemand wist precies hoe laat we hadden afgesproken omdat er drie verschillende tijden in de app stonden. En toch voelde ik me lichter dan in maanden.
Halverwege zei Els, zonder me aan te kijken: ‘Het is eigenlijk best veel gedoe, ja.’
Ik zei: ‘Dat bedoelde ik.’
Ze knikte. Geen excuses, maar wel iets wat erop leek.
Ik weet nog steeds niet hoe onze groep eruitziet als ik straks echt met pensioen ben en niet meer automatisch alles opvang. Misschien wordt het losser. Misschien vallen sommige contacten weg. Dat idee vind ik nog steeds verdrietig. Maar ik begin te begrijpen dat vriendschap niet hetzelfde is als jezelf onmisbaar maken.
Misschien heb ik dit patroon zelf ook te lang in stand gehouden, omdat ik graag nodig wilde zijn. Nu leer ik dat verbonden blijven iets anders vraagt dan alles dragen. Hebben jullie ook weleens een rol in een vriendschap moeten loslaten, en hoe reageerde de ander toen?