“Je kunt niet zomaar verwachten dat alles weer normaal wordt,” zei mijn partner, terwijl ik net had besloten mijn prothese voor het eerst thuis af te doen
“Ik trek dit niet meer als jij de hele tijd doet alsof ik jou kwijt ben geraakt,” zei mijn partner in de keuken, terwijl de aardappelen overkookten en ik op een kruk zat zonder mijn prothese.
Dat kwam hard aan. Ik zei meteen: “Nou, gezellig. Ik ben er gewoon nog hoor. Alleen iets minder compleet blijkbaar.”
“Zie je, dit bedoel ik dus,” zei hij. “Ik zeg iets en jij maakt er meteen iets venijnigs van.”
Het was woensdagavond, de kinderen waren boven huiswerk aan het maken, en ik had die middag in het revalidatiecentrum in Utrecht weer gehoord dat ik “goed op schema” lag. Iedereen zei dat steeds. De fysio, de ergotherapeut, de bedrijfsarts. Goed op schema. Alsof dat iets oploste.
Vorig jaar ben ik aangereden op de N-weg toen ik uit mijn auto stapte na een klapband. Sindsdien mis ik een onderbeen. Ik heb maanden in het ziekenhuis gelegen, daarna in de revalidatie. Eerst was ik alleen maar bezig met overleven. Daarna met leren lopen. Daarna met bewijzen dat ik nog steeds dezelfde was.
En daar ging het mis, denk ik nu.
Ik wilde te snel terug naar mijn baan bij een administratiekantoor in Amersfoort. Ik wilde niet dat collega’s me zielig vonden. Dus toen de bedrijfsarts vroeg of ik rustig wilde opbouwen, zei ik stoer: “Twee dagen thuiswerken en twee dagen op kantoor moet lukken.”
Dat lukte dus niet. Ik was kapot, had fantoompijn, sliep slecht en reageerde alles thuis af. Als de kinderen hun schoenen niet opruimden, werd ik al boos. Als mijn partner vergat melk mee te nemen van de Albert Heijn, barstte ik in tranen uit.
Toch vond ik dat híj meer begrip moest hebben. Hij deed ineens bijna alles in huis, bracht de kinderen naar school, werkte zelf ook nog vier dagen en reed mij naar afspraken. Maar ik zag vooral wat hij niet deed. Dat hij soms zuchtte. Dat hij minder vroeg hoe het echt met me ging. Dat hij me niet meer vanzelf vastpakte.
Een paar weken geleden vond ik per ongeluk een appje op zijn telefoon. Ik zocht naar de DigiD-code van onze oudste voor een ouderportaal, want zijn telefoon lag open op tafel. Er stond van een collega: “Je moet ook een beetje aan jezelf denken thuis.” En hij had teruggestuurd: “Ja, maar als ik dat zeg ben ik de klootzak.”
Ik voelde me misselijk. Niet eens alleen door dat bericht, maar vooral omdat ik meteen dacht: zie je wel, ik ben een last.
Die avond confronteerde ik hem.
“Dus zo praat jij over mij?” vroeg ik.
Hij keek eerst kwaad dat ik in zijn telefoon had gekeken. Terecht ook. Daarna zei hij: “Je leest één bericht en vult de rest zelf in.”
“Wat moet ik dan invullen?” zei ik. “Dat je het hartstikke leuk vindt thuis?”
Toen kwam het eruit. Niet netjes, niet rustig.
Hij zei: “Sinds het ongeluk mag alles om jou draaien. En ja, logisch, in het begin. Maar nu durft niemand meer iets van je te zeggen. De kinderen lopen op eieren. Ik ook. Jij zegt dat je onafhankelijk wilt zijn, maar je wijst hulp af en bent boos als het dan niet gaat.”
Ik was woest. Ik heb geroepen dat hij geen idee had hoe het voelt om in de spiegel te kijken en jezelf niet meer te herkennen. Dat iedereen maar vindt dat je “sterk” bent, terwijl je gewoon staat te stuntelen in de badkamer. Dat intimiteit ook lastig is als je je eigen lichaam amper verdraagt.
Toen zei hij iets wat ik eerst gemeen vond, maar wat wel bleef hangen.
“Ik mis jou niet omdat je been weg is,” zei hij. “Ik mis jou omdat je mij nergens meer bij laat.”
Daar kon ik op dat moment niks mee. Ik ben boven gaan slapen.
Een dag later had ik een gesprek met de maatschappelijk werker van het revalidatiecentrum. Ik vertelde half verhaal, een beetje in mijn voordeel natuurlijk. Tot zij vroeg: “Wanneer heb jij voor het laatst eerlijk gezegd dat je bang bent?”
Ik begon meteen te huilen. Want dat was het dus. Ik deed stoer, direct, zogenaamd nuchter. Maar eigenlijk was ik doodsbang dat dit het dan was. Dat ik voortaan “die vrouw met die prothese” zou zijn. Dat mijn partner me spaarde uit medelijden. Dat mijn werk me uiteindelijk alleen nog geschikt vond voor de makkelijke taken. Dat iedereen wel verderging, behalve ik.
En als ik heel eerlijk ben: ik hield zelf dat beeld ook in stand. Ik wilde thuis geen prothese afdoen, want dan voelde ik me zwak. Ik wilde niet dat de kinderen vragen stelden. Ik wilde niet dat mijn partner me hielp met mijn stompverzorging. Alles wat confronterend was, duwde ik weg. En daarna was ik boos dat niemand dichtbij kwam.
Afgelopen weekend hebben we eindelijk echt gepraat. Aan tafel, nadat de kinderen bij een vriendinnetje en een voetbaltoernooi waren.
Ik zei: “Ik denk dat ik jou heb laten opdraaien voor mijn eigen schaamte.”
Hij zei niet meteen iets. Daarna: “En ik ben te lang praktisch gebleven. Ik regelde dingen, maar ik vroeg te weinig hoe jij je voelde. Omdat ik bang was dat ik het verkeerde zou zeggen.”
Ik vroeg ook naar dat appje. Hij zei: “Ik voelde me schuldig omdat ik soms gewoon weg wilde. Niet bij jou vandaan, maar van alles. Van de zorg, de spanning, het opletten. Dat maakt me nog geen slecht mens, toch?”
Eerlijk? Vroeger had ik gezegd van wel. Nu snapte ik hem beter.
We hebben nog geen perfecte oplossing. Ik ben nog steeds niet volledig aan het werk. Via de arbodienst bouw ik rustiger op. We hebben thuis taken anders verdeeld. De kinderen weten nu meer en stellen juist minder en normalere vragen dan ik dacht. En ik doe mijn prothese soms bewust af in de woonkamer, ook al voelt dat nog steeds ongemakkelijk.
Tussen ons is ook nog niet alles zoals vroeger. Misschien wordt het dat ook niet. Maar ik merk wel dat er iets luchtiger wordt nu ik niet meer de hele tijd doe alsof ik mijn oude leven terug moet verdienen.
Ik dacht lang dat ik vooral moest bewijzen dat ik nog heel was. Misschien zit de winst juist in accepteren dat ik veranderd ben, zonder mezelf meteen af te schrijven. Maar ik vraag me wel af: vinden jullie dat zo’n grote klap iemand soms pas echt in beweging zet, of is dat achteraf mooi praten omdat je toch verder moet?