Toen onze veertig jaar oude vriendschap ineens voelde als een fulltime zorgtaak
‘Jullie gaan toch niet echt weg nu?’ hoorde ik Kees zeggen, nog voordat ik iets kon zeggen. Ik had mijn jas al aan, de koffer stond naast de voordeur, en ik voelde meteen die bekende knoop in mijn buik. Naast me stond mijn man Arjen stil voor zich uit te kijken. We zouden de volgende ochtend een week naar Drenthe gaan, ons eerste uitje in maanden. ‘Kees,’ zei ik, ‘we gaan niet emigreren. We zijn een week weg.’ Aan de andere kant bleef het even stil. Toen zei hij: ‘Miep is vanochtend weer de straat op gelopen. Ik trek dit niet meer alleen. Vrienden laten je dan toch niet zitten?’
Dat zinnetje kwam harder binnen dan ik wilde toegeven. We kennen Kees en Miep al sinds 1984. We kregen ongeveer tegelijk kinderen, zaten jarenlang bij elkaar op verjaardagen in rijtjeshuizen met blokjes kaas en leverworst, gingen kamperen in Zeeland, pasten op elkaars kinderen als er iets was. Het was nooit scheef. Als Kees onze schutting kwam zetten, kookte Arjen een week later bij hen de boel weer recht. Zo hoorde vriendschap voor ons te zijn: geven en nemen, zonder boekhouding.
Maar sinds Miep beginnende dementie heeft, is alles anders geworden. In het begin waren het kleine dingen. Ze vroeg drie keer op één middag of ik suiker in mijn koffie wilde. Ze vergat dat hun kleindochter al op kamers zat. Later raakte ze haar pinpas kwijt en vond die terug in de broodtrommel. Verdrietig, maar ook nog menselijk. Tot Kees steeds vaker belde. Eerst: ‘Kun jij morgen even mee naar het ziekenhuis?’ Toen: ‘Arjen, zou jij zaterdag de boodschappen kunnen doen?’ Daarna werd het vanzelfsprekend. Dinsdag de was. Donderdag mee-eten zodat Miep rustiger bleef. Zaterdagmiddag zodat Kees ‘even kon slapen’.
Ik zag ook echt wel dat hij op was. Hij liep in dezelfde trui als drie dagen ervoor, rook naar koude koffie en sliep nauwelijks. Maar zodra ik voorzichtig over dagopvang of thuiszorg begon, klapte hij dicht. ‘Er komen hier geen vreemden over de vloer,’ zei hij dan. ‘Miep wil dat niet.’ Of: ‘Ze hebben al die mensen geen tijd, en bovendien: waar heb ik anders vrienden voor?’
Die laatste zin begon me tegen te staan. Niet omdat ik Miep niet gunde dat er mensen om haar heen waren, maar omdat onze hele week ineens om hen draaide. Arjen zei het op een avond aan de keukentafel, terwijl hij de agenda voor zich had. ‘We zijn met pensioen, maar het voelt alsof we weer een rooster draaien.’ Ik werd boos omdat het waar was. Op maandag fysiotherapie voor Arjen, dinsdag naar Kees en Miep, woensdag kleindochter ophalen van school, donderdag weer daarheen, vrijdag kapot op de bank. Mijn hoofd stond altijd aan. Als de telefoon ging, schrok ik.
Toch bleef ik gaan. Uit schuldgevoel, uit liefde, uit gewoonte. En misschien ook omdat ik de oude Miep nog steeds zag, die vriendin met wie ik vroeger op vrijdagmorgen over de markt in Amersfoort liep en veel te dure olijven kocht. Soms zat ze ineens weer even tegenover me zoals vroeger. Dan kneep ze in mijn hand en zei zacht: ‘Ben ik nou zo lastig?’ Dan loog ik: ‘Nee joh, helemaal niet.’
De ruzie kwam niet uit de lucht vallen. Die hing al weken in huis. Toen Kees belde over onze vakantie, zette Arjen de luidspreker aan. ‘Kees,’ zei hij, heel rustig, ‘we hebben je de afgelopen maanden echt veel geholpen. Maar we gaan wel gewoon weg.’
‘Dus jullie laten ons stikken.’
‘Nee,’ zei ik, en ik hoorde dat mijn stem trilde. ‘We laten jullie niet stikken. Maar dit houden wij ook niet vol. Jij moet hulp regelen.’
Hij snoof. ‘Makkelijk praten. Jullie kunnen na een paar uur weer naar huis. Ik zit hier dag en nacht.’
‘Precies daarom,’ zei Arjen. ‘Juist daarom moet er professionele hulp komen.’
Toen kwam het verwijt waar ik al bang voor was. ‘Na veertig jaar had ik wel iets meer loyaliteit verwacht.’
Ik weet nog dat ik ben gaan zitten op de onderste traptree omdat mijn benen slap werden. Veertig jaar samengevat tot een morele test die we blijkbaar niet haalden. Ik zei: ‘Loyaliteit is niet hetzelfde als alles overnemen wat jij niet wilt regelen.’ Daarna was het stil. Heel stil. Kees verbrak de verbinding zonder gedag te zeggen.
We zijn toch op vakantie gegaan, maar ontspannen was anders. Ik keek elke dag op mijn telefoon. Op de derde dag appte de dochter van Kees en Miep mij. Of we koffie wilden drinken als we terug waren. Zij en haar broer bleken al langer te proberen om thuiszorg en casemanagement dementie te regelen, maar hun vader hield alles af. ‘Hij luistert misschien eerder naar jullie dan naar ons,’ schreef ze.
Dat gesprek, bij hen aan de eettafel tussen de beschuitbus en de stapel ongeopende post, was pijnlijker dan de ruzie. Kees zag er ineens niet streng uit, maar oud. Gewoon moe en bang. ‘Als ik hulp toelaat,’ zei hij, starend naar zijn handen, ‘dan is het net alsof ik toegeef dat ik haar kwijtraak.’ Niemand zei meteen iets. Miep zat naast hem en vouwde een theedoek op, steeds opnieuw. Ik moest slikken.
Toen zei Arjen: ‘Je raakt haar niet minder kwijt door ons op te branden.’ Dat was hard, maar eerlijk. Voor het eerst knikte Kees niet meteen nee. Een week later kwam er een wijkverpleegkundige langs. Daarna dagopvang voor twee dagen. Niet omdat alles ineens goed was, maar omdat het echt niet anders meer ging.
Onze vriendschap is niet meer zoals vroeger. Ik mis de vanzelfsprekendheid ervan. Er zit nu iets in van voorzichtigheid, van wat wel en niet meer kan. En toch ben ik ergens ook opgelucht dat we eindelijk hebben uitgesproken wat te zwaar werd om te dragen. Ik heb geleerd dat je mensen kunt liefhebben en tegelijk een grens kunt trekken, hoe pijnlijk dat ook is. Hebben jullie weleens meegemaakt dat vriendschap langzaam veranderde in verantwoordelijkheid, en hoe wisten jullie waar je grens lag?