Ik stopte na dertig jaar met het regelen van onze vaste vriendenavonden, en ineens bleek hoe vanzelfsprekend iedereen mij vond
“Maar waarom maak je hier nu zo’n punt van?” zei Hans, terwijl hij zijn wijnglas neerzette alsof híj degene was die geduld verloor. “Het was toch altijd goed zo?”
Ik voelde mijn gezicht warm worden. Niet eens van woede alleen, meer van schaamte dat ik op mijn drieënzestigste blijkbaar nog moest uitleggen dat ‘altijd goed zo’ meestal betekent dat één iemand het werk doet en de rest aan tafel aanschuift. We zaten gewoon bij ons thuis in de woonkamer in Amersfoort, de lege schalen van de quiche nog op tafel, de kaas al uitgepakt omdat ik natuurlijk óók daar weer aan had gedacht. En toch was ik ineens degene die de sfeer verpestte.
Wij hebben al ruim dertig jaar dezelfde vriendengroep: drie stellen, ooit ontstaan via de kinderen op de basisschool en blijven hangen toen die kinderen allang op kamers gingen. Bijna elke vrijdag aten we met elkaar. Eerst was dat losser, later werd het een soort gewoonte. Fijn ook, vond ik lang. Alleen was het in de praktijk altijd ik die op maandag appte: “Bij wie vrijdag?” Ik maakte een schema in mijn hoofd, hield rekening met vakanties, gluten, een hekel aan koriander, Jan die geen pittig eten lust, Marijke die sinds vorig jaar amper drinkt. Als het bij ons was, kookte ik. Als het ergens anders was, nam ik toch vaak brood, een salade of een toetje mee “voor de gezelligheid”.
Niemand vroeg erom. Dat is ook precies waarom het zo lastig uit te leggen is.
De laatste maanden merkte ik dat ik ertegenaan begon te hikken. Mijn moeder was vorig jaar overleden, ik pas één dag minder op mijn kleindochter, en ik was gewoon moe. Niet dramatisch moe, gewoon het soort moe waarbij je op donderdag al denkt: shit, heb ik eigenlijk genoeg olijven in huis? Op een ochtend zei ik tegen mijn man Kees: “Ik wil dat vrijdaggedoe niet meer steeds trekken.”
Hij keek op van de krant. “Dan doe je toch een keer wat simpeler?”
“Dat is het niet,” zei ik. “Ik wil niet steeds degene zijn die alles in gang zet.”
Hij haalde zijn schouders op. “Zeg het dan in de app.”
Dus dat deed ik. Heel netjes nog. Ik schreef: “Lieve mensen, ik merk dat de organisatie van onze etentjes vaak bij mij terechtkomt. Ik zou het fijn vinden als we voortaan rouleren, ook qua initiatief. Dan blijft het voor iedereen leuk.”
Eerst bleef het lang stil. Toen reageerde Marijke met: “Natuurlijk kunnen we best helpen hoor, maar moet het nou zo formeel?” Daarna Hans: “We zijn toch geen commissie?” En Els stuurde privé: “Ik snap je wel, maar pas op dat het niet zakelijk wordt. Juist die spontaniteit is toch onze kracht.”
Spontaniteit. Ik heb hardop gelachen toen ik dat las. Spontaniteit met een vaste vrijdag, vaste aankomsttijd, vaste voorkeuren en een vrouw die op dinsdag al boodschappen deed.
Die vrijdag kwamen ze toch gewoon. Alsof de app een klein rimpeltje was dat vanzelf weer glad zou trekken. Tijdens het hoofdgerecht begon ik erover. Mijn handen trilden een beetje toen ik de aardappels opschepte.
“Ik meen het echt,” zei ik. “Ik wil best meedoen, graag zelfs, maar niet meer als vanzelfsprekende regelaar.”
Kees probeerde te sussen. “Ach jongens, we kennen elkaar zo lang. Laten we hier nou geen gedoe van maken. Het gaat toch niet om wie de kaasplank regelt?”
Ik weet nog dat ik hem aankeek en dacht: voor jou gaat het daar misschien niet om, omdat jij nog nooit hebt hoeven nadenken of er vijgenchutney in huis is.
“Voor mij gaat het daar dus wél om,” zei ik. “Niet om die kaasplank zelf, maar om het idee dat het blijkbaar alleen opvalt als ik ermee stop.”
Het werd ongemakkelijk stil. Jan kuchte. Marijke zei: “Maar jij bent daar gewoon goed in, Anja.” Alsof dat een compliment was waar ik het van moest hebben.
De week erna nam niemand initiatief. Geen appje, geen voorstel, niks. Vrijdag om vier uur zat ik met een onrustig gevoel op de bank, alsof ik iets vergeten was. Kees zei nog: “Zie je wel, nu valt het hele ding stil.”
“Ja,” zei ik, “maar niet omdat ik iets kapotmaak. Omdat niemand het oppakt.”
Dat kwam harder binnen bij hem dan bij de rest, denk ik. De zaterdag daarna vroeg hij: “Was het echt zóveel werk voor je?” Ik moest daar bijna om huilen, niet eens uit boosheid, maar omdat hij het oprecht niet gezien had. We zijn 38 jaar getrouwd. Ik had het zelf blijkbaar ook te goed verstopt.
Twee weken later appte Els of we konden wandelen in Soesterduinen. Zonder partners. Halverwege zei ze: “Ik vond je eerst lastig, eerlijk gezegd. Maar toen ik zelf voor mijn broer een etentje moest organiseren voor twaalf man, dacht ik: o ja, dit is dus werk.” We moesten er allebei om lachen, een beetje zuur ook.
Inmiddels hebben we geen wekelijkse diners meer. Soms spreken we af, maar minder vaak en rommeliger. De ene keer bij Hans en Marijke met afhaal-Indisch, de andere keer alleen koffie met appeltaart. Het is anders. Minder vanzelfsprekend, misschien ook minder soepel. Maar als we nu iets afspreken, vraagt tenminste iemand: “Wie pakt wat op?” En dat ene zinnetje doet me meer dan ik had verwacht.
Ik mis de oude vanzelfsprekendheid soms. Maar ik mis mezelf minder. Misschien is dat wat er verandert als je ouder wordt: dat je niet alleen vraagt of iets gezellig is, maar ook of het eerlijk voelt. Zouden jullie na al die jaren de harmonie bewaren, of toch eindelijk zeggen dat het niet meer gelijkwaardig is?