Toen onze vriendenkring ineens te duur werd, moest ik op mijn zestigste kiezen tussen erbij horen en mezelf blijven
“Je kunt toch één keer die paasbrunch bij je zus overslaan?” zei Hans, terwijl hij zijn telefoon naar me toe schoof. Op het scherm stond een uitnodiging voor een lang weekend in een wijnresort in de Bourgogne, met diezelfde glanzende toon waar ik de laatste jaren steeds benauwder van werd. “Iedereen gaat. Het is ook gewoon goed om je gezicht te laten zien.”
Ik had mijn jas nog aan. Ik was net terug van de voedselbank, waar ik op donderdag help met het uitgeven van pakketten. Mijn handen roken nog naar karton en mandarijnen. En daar zat ik dan, aan onze eikenhouten keukentafel in Amersfoort, tegenover mijn man van bijna veertig jaar, die het zei alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat je een familietraditie inruilt voor een prestigieus vriendenuitje.
“Mijn gezicht laten zien? Hans, we hebben het over Pasen met mijn zus, mijn kinderen en de kleinkinderen. Zoals al dertig jaar.”
Hij zuchtte. “Je maakt het meteen zo groot. Vroeger gingen we ook gewoon mee met dingen. Waarom moet alles tegenwoordig een principiële kwestie zijn?”
Dat woord bleef hangen: principiële kwestie. Alsof ik lastig deed. Alsof het niet ging om iets wat al langer wrong.
Wij kennen die vriendengroep nog uit Utrecht, uit onze studententijd. We waren met z’n achten, later met partners erbij. Kamperen in Frankrijk, pannenkoeken bakken op een gammel gaspitje, spelletjes doen als het regende. Niemand had geld. We namen wijn mee uit de supermarkt en voelden ons rijk als we op een terras een tweede kop koffie bestelden.
Nu is het anders. Kees is gepensioneerd chirurg, Marijke heeft commissariaten, Els en Rob overwinteren in Portugal, en Hans… Hans is altijd ambitieus geweest. Daar is op zichzelf niks mis mee. Hij heeft hard gewerkt, is bestuursvoorzitter geworden, wordt herkend op plekken waar ik gewoon mijn boodschappen doe. Ik ben juist minder gaan werken toen de kinderen kwamen, later gestopt in het onderwijs en vrijwilligerswerk gaan doen. Daar ben ik nooit ongelukkig van geweest. Integendeel.
Maar ergens onderweg is in die groep de toon veranderd. Eerst was het een keer een “bijzonder restaurant”. Toen een weekend Zuid-Tirol, want “we mogen onszelf ook wel iets gunnen”. Daarna Michelin, businessclass-upgrades, boutiquehotels. En steeds vaker zinnen als: “Ach, op onze leeftijd moet je niet meer op de kleintjes letten.”
Ik let niet op de kleintjes omdat het moet. Ik let erop omdat ik daar rustig van word. Omdat ik geen zin heb om geld dat we misschien later voor zorg, voor de kinderen of gewoon voor zekerheid nodig hebben, eruit te jagen om aan te haken bij een levensstijl die niet van mij is.
Twee weken geleden zaten we met de groep in een restaurant in Amsterdam-Zuid. Van die kleine bordjes waar de ober een heel verhaal bij houdt. Ik was na het hoofdgerecht nog hongerig en vroeg thuis op het station een broodje kaas. Marijke lachte toen de rekening kwam en zei: “We zijn toch geen studenten meer, jongens.” Iedereen lachte mee. Ik ook, automatisch. Maar ik voelde me rood worden, alsof ik iets armoedigs had verraden zonder iets te zeggen.
In de auto terug zei ik: “Vind jij dit nou echt gezellig?”
Hans hield zijn ogen op de A1. “Het gaat niet alleen om gezelligheid. Dit zijn ook mensen uit ons netwerk.”
“Ons netwerk? Het zijn toch vrienden?”
Hij zweeg even. “Je bent de laatste tijd zo… afwijzend. Alsof iedereen die succes heeft oppervlakkig is.”
Dat deed pijn, juist omdat het niet waar is. Ik gun iedereen zijn comfort. Ik trek alleen slecht wat er tussen de regels door gebeurt: het vergelijken, het opwaarderen van de een en het onzichtbaar worden van de ander.
Aan die keukentafel liep het voor het eerst echt uit de hand. Hans zei: “We hebben spaargeld genoeg. Waar sparen we anders voor? We kunnen toch best wat meer meebewegen? Ik wil niet dat wij straks dat stel worden dat overal voor bedankt.”
“Misschien zijn we dat stel al,” zei ik. “Alleen durf jij dat niet te accepteren.”
Hij keek me aan alsof ik hem had beledigd. Misschien had ik dat ook.
Die avond heb ik slecht geslapen. Niet alleen door die reis. Ook omdat ik ineens moest toegeven dat ik me al maanden kleiner maakte. Dat ik jurken aantrok waar ik me niet prettig in voelde, dat ik zweeg als het ging over tweede huizen en cruises, dat ik na etentjes uitgeput thuiskwam van het toneelstukje ‘mee kunnen’.
Een paar dagen later ben ik koffie gaan drinken met Els, gewoon in een tentje bij het station, niet in zo’n zaak met linnen servetten. Ik dacht: misschien verbeeld ik me alles.
Ik zei: “Heb jij het idee dat het allemaal… anders is geworden?”
Els roerde in haar cappuccino. “Natuurlijk is het anders. We zijn ouder, we hebben meer te besteden. Dat is toch niet erg?”
“Nee,” zei ik, “maar ik mis iets van vroeger. Dat het niet uitmaakte wat iets kostte.”
Ze keek me vriendelijk aan, maar ook een beetje strak. “Misschien moet je ook oppassen dat je niet alles moreel maakt. Voor ons is dit gewoon genieten.”
Daar had ze ergens gelijk in. Niet alles is ijdelheid. Niet ieder duur diner is verraad aan oude waarden. Maar ik wist op dat moment ook: als ik steeds tegen mijn eigen gevoel in moet redeneren om erbij te blijven, klopt er iets niet.
Met Pasen ben ik naar mijn zus gegaan. Hans is uiteindelijk naar Bourgogne gereden. We hebben daar thuis flinke woorden over gehad. Geen servies door de kamer, geen dramatisch vertrek, gewoon twee mensen van zestig die aan weerszijden van een bed hun gelijk liggen vast te houden.
Mijn kleindochter kroop met chocolade aan haar vingers op schoot en vroeg: “Oma, waarom kijk je zo sip?” Ik moest erom lachen en schaamde me tegelijk. Omdat een kind meteen ziet wat volwassenen wekenlang wegpraten.
Toen Hans terugkwam, was hij stiller dan ik had verwacht. Hij zei niet dat ik ongelijk had. Hij zei alleen: “Het was mooi, maar ook vermoeiend. En ik heb jouw zus haar gevulde eieren gemist.”
We hebben daarna voor het eerst echt gesproken, zonder verdediging. Over angst, ook de zijne. Dat hij bang is om buiten de kring te vallen nu hij stopt met werken. Dat status voor hem soms gewoon een manier is om zich zeker te voelen. Ik heb gezegd dat authenticiteit voor mij geen luxe is, maar iets wat ik nodig heb om mezelf niet kwijt te raken.
We zijn er nog niet. Sommige vriendschappen zullen waarschijnlijk veranderen. Misschien verwateren ze, misschien blijven ze maar in een andere vorm. Ik heb inmiddels ook zelf twee etentjes afgeslagen zonder smoesjes te verzinnen, en dat voelde lichter dan ik had verwacht.
Ik dacht lang dat trouw zijn betekende dat je meegaat, maar misschien is trouw zijn soms juist eerlijk zeggen waar jij ophoudt. Hebben jullie weleens op latere leeftijd gemerkt dat een vriendschap of kring niet meer past, en hoe zijn jullie daarmee omgegaan?