Ik wilde mijn vriendin niet laten vallen, maar ergens onderweg raakte ik mezelf én mijn huwelijk kwijt

‘Neem nou gewoon een keer niet op,’ zei Kees, terwijl mijn telefoon voor de vierde keer die ochtend over de eettafel schoof. Ik keek alleen maar naar het scherm. Marianne. Weer. Mijn koffie was koud, de croissantjes lagen onaangeroerd op het bord en buiten scheen de zon alsof we een zorgeloze pensioendag hadden, maar in mijn buik zat alleen maar spanning. ‘Als ik nu niet opneem, weet ik precies wat er gebeurt,’ zei ik. ‘Dan denkt ze dat ik haar ook laat vallen.’ Kees zuchtte hoorbaar. ‘En wanneer laat jij jezelf vallen, Els?’

Die vraag kwam harder binnen dan ik wilde toegeven.

Marianne en ik kennen elkaar al sinds eind jaren tachtig. Onze mannen werkten ooit bij hetzelfde bedrijf in Utrecht, wij zagen elkaar op barbecues, verjaardagen, later ook met de kinderen erbij. Het was nooit zo’n kleffe vriendschap, meer zo’n vertrouwde. Altijd gezellig, altijd vanzelfsprekend. Toen Marianne een paar jaar geleden ernstig ziek werd, zijn Kees en ik er natuurlijk voor hen geweest. Boodschappen doen, een pannetje soep brengen, af en toe rijden naar het ziekenhuis. Dat doe je gewoon.

Toen ze lichamelijk eindelijk opknapte, dachten we allemaal dat het ergste achter de rug was. Maar juist daarna zakte ze weg. Ze sliep slecht, durfde amper nog naar de supermarkt, zei afspraken af, huilde om niets en tegelijk om alles. ‘Ik ben beter verklaard, maar ik voel me helemaal niet beter,’ zei ze een keer aan mijn keukentafel. ‘Iedereen verwacht dat ik weer normaal doe.’

Ik voelde met haar mee. Echt. Toen ze vroeg of ik één keer per week met haar wilde wandelen, ergens rustig, in het park of langs de Lek, zei ik zonder aarzelen ja. ‘Natuurlijk, Mar. We kijken gewoon per week wat lukt.’ In het begin leek het ook goed te gaan. Een rondje door het Máximapark, koffie bij mij thuis, soms samen even naar de HEMA zodat zij weer onder de mensen kwam. Ze kneep dan in mijn arm en zei: ‘Met jou durf ik het tenminste.’

Maar langzaam werd één middag twee dagen, en twee dagen werd eigenlijk de hele week. Ze belde ’s ochtends vroeg omdat ze paniek voelde opkomen. Ze belde rond etenstijd omdat haar man Henk ‘het niet begreep’. Ze belde ’s avonds omdat ze bang was voor de nacht. Als ik opnam, was ik zomaar anderhalf uur verder. Als ik niet opnam, kreeg ik appjes: Ben je boos? Heb ik iets verkeerd gedaan? Ik weet niet hoe ik de avond door moet.

Ik begon mijn telefoon omgedraaid neer te leggen, maar zelfs dan voelde ik me schuldig. Kees merkte natuurlijk alles. Dat ik tijdens het koken half luisterde naar hem en half naar mijn scherm. Dat ik na een wandeling met Marianne uitgeput thuiskwam. Dat ik op verjaardagen afwezig was omdat ik dacht: als ze nu maar niet alleen zit te huilen.

‘Ze heeft hulp nodig, Els. Echte hulp,’ zei hij al maanden. ‘Een psycholoog, de huisarts, misschien een praktijkondersteuner. Jij kunt dit toch niet dragen?’

‘Ze hééft hulp,’ zei ik dan. ‘Maar tussendoor is er ook gewoon iemand nodig.’

‘Ja, maar niet één iemand die helemaal leegloopt.’

Ik werd boos als hij dat zei. Niet omdat hij ongelijk had, maar omdat ik wist dat er iets van waarheid in zat waar ik niet aan wilde. Ik zei dingen als: ‘Jij snapt niet hoe het voelt als iemand zo bang is.’ Of: ‘Na alles wat we samen hebben meegemaakt laat je toch niemand stikken?’ Dan trok Kees zich terug, ging wat rommelen in de schuur of een stuk fietsen. Dat stille van hem vond ik nog erger dan ruzie.

De echte klap kwam in juni. We zouden een week naar Zeeland gaan, huisje bij Domburg, eindelijk er even samen uit. Niks bijzonders, gewoon strand, vis eten, beetje fietsen. Marianne raakte in diezelfde week compleet in de war omdat Henk twee dagen met zijn broer weg zou gaan. Ze huilde al door de telefoon voordat ze haar jas aanhad. ‘Ik red het niet alleen, Els. Als jij er dan ook niet bent…’

Ik hoorde mezelf zeggen: ‘Misschien kunnen we onze vakantie verzetten.’

Kees keek me aan alsof ik iets onherstelbaars zei. Niet eens boos eerst, eerder gekwetst. Later die avond aan tafel zei hij heel rustig: ‘Als jij dit doet, dan gaan we een grens over waar ik niet in mee kan.’

‘Dus ik moet haar laten stikken voor een weekje vakantie?’ beet ik hem toe.

‘Nee,’ zei hij. ‘Jij doet nu alsof er maar twee opties zijn: óf jij redt haar, óf zij valt om. Dat is precies het probleem. Jij bent haar vriendin, niet haar behandelaar.’

Ik begon te huilen, uit frustratie vooral. ‘Ik ben bang dat er iets gebeurt als ik afstand neem.’

Toen zei hij iets wat ik nog steeds voel: ‘En ik ben bang dat ik jou kwijtraak terwijl je gewoon naast me zit.’

Die nacht heb ik bijna niet geslapen. Ik dacht aan de oude Marianne, aan terrasjes, aan slappe lach tijdens etentjes. Maar ik dacht ook aan mezelf, hoe ik de laatste maanden alleen nog maar aan het opvangen was. Zelfs mijn dochter had laatst gezegd: ‘Mam, je klinkt altijd zo moe.’

De volgende ochtend heb ik Marianne gebeld voordat zij mij kon bellen. Mijn handen trilden. Ik zei: ‘Mar, ik moet iets moeilijks zeggen. Ik ben er nog steeds voor je, maar zo gaat het niet meer. Ik kan niet altijd beschikbaar zijn. We houden onze wandeling op dinsdag, en als het echt crisis is moet je Henk, de huisarts of je behandelaar bellen. Niet omdat je me niet uitmaakt, maar omdat ik het anders niet volhoud.’

Het bleef even stil. Toen zei ze heel zacht: ‘Dus zelfs jij vindt me te veel.’

Dat kwam binnen als een mes. Ik zei: ‘Nee. Ik vind dit te veel. Dat is iets anders.’

Ze was gekwetst. Ik ook. Die eerste weken waren ongemakkelijk. Minder appjes, kortere gesprekken. Ik voelde me schuldig en opgelucht tegelijk, een rotcombinatie. Henk belde later een keer om te zeggen dat mijn woorden hem uiteindelijk geholpen hadden om harder aan de bel te trekken bij de huisarts. ‘Ze was boos op je,’ zei hij eerlijk. ‘Maar misschien was dat ook nodig.’

We zijn alsnog naar Zeeland gegaan, twee weken later. Het was niet ineens licht en zorgeloos. We hadden nog steeds gesprekken over Marianne, over grenzen, over ouder worden en hoe vriendschap soms ongemerkt in verantwoordelijkheid verandert. Op het strand pakte Kees een keer mijn hand en zei: ‘Ik wil best veel delen, maar niet jou verliezen aan iets waar jij in oplost.’ Dat vond ik confronterend, maar ook liefdevol.

Marianne zie ik nog steeds. Niet meer als redder en drenkeling, maar voorzichtig weer een beetje als vriendin. Soms gaat het goed, soms zegt ze op het laatste moment af. Dat is de realiteit. Ik heb moeten leren dat iemand steunen niet betekent dat je jezelf moet weggeven, hoe loyaal je ook bent.

Misschien is dat wel het lastigste op onze leeftijd: accepteren dat liefde en vriendschap niet alles kunnen oplossen. Hoe zouden jullie dit hebben aangepakt: volhouden uit loyaliteit, of eerder grenzen trekken?