‘Mam, je maakt het ook groter dan het is’: toen ik besefte dat ik voor mijn kinderen vooral lastig was geworden
‘Mam, je moet niet steeds verwachten dat wij meteen kunnen komen.’
Dat zei mijn dochter aan de telefoon, op zo’n toon waarvan je meteen voelt: ik ben nu vooral een extra taak op haar lijstje.
Ik zei: ‘Ik verwacht toch ook niet meteen? Ik vroeg alleen of iemand me zaterdag even naar het tuincentrum kon rijden.’
Toen bleef het even stil en daarna kwam het: ‘Je hebt toch ook buren? Of regel een taxi.’
Ik hing op en ik heb echt een kwartier aan mijn keukentafel gezeten zonder iets te doen. Gewoon met mijn jas nog aan. Alsof er iets in mij omviel.
Ik ben 74, weduwe, ik woon in een rijtjeshuis in een gewone wijk net buiten Amersfoort. Geen drama, geen zielig verhaal. Ik red me prima. Ik doe mijn boodschappen meestal zelf, ga met de scootmobiel naar het winkelcentrum als het nodig is, ik heb thuiszorg niet nodig en ik klaag niet snel. Juist daarom kwam het zo hard aan.
Want ik was altijd degene die alles opving. Toen mijn kinderen klein waren werkte ik parttime in de thuiszorg en daarnaast draaide ik overal mijn hand niet voor om. Oppassen, logeerpartijtjes, mee naar zwemles, broodtrommels smeren als mijn dochter vroege dienst had, kleinkind ophalen van de bso omdat mijn zoon in de file stond bij Utrecht. Ik deed het graag. Echt. Soms te graag misschien.
Achteraf zie ik ook wel dat ik mezelf te onmisbaar heb gemaakt. Als iemand belde, zei ik bijna altijd ja. Ook als ik eigenlijk moe was of zelf een afspraak had. Dan schoof ik mijn eigen dingen weer op. De pedicure, koffie met iemand van de kerk, zelfs controle in het ziekenhuis een keer omdat mijn kleinzoon ineens koorts had en mijn dochter niemand anders had.
Dus misschien heb ik er zelf aan meegewerkt dat ze dachten dat ik er altijd wel was. Dat ik geen eigen leven had.
Maar de laatste twee jaar is het omgedraaid. De kleinkinderen zijn groter, iedereen heeft sport, werk, studies, agenda’s. Begrijp ik ook. Alleen merk ik dat ik nu nog maar in beeld kom als er iets geregeld moet worden. ‘Mam, kun jij dat formulier van de gemeente even lezen?’ ‘Mam, heb jij die oude kinderstoel nog op zolder?’ ‘Mam, kun jij volgende week toch nog één middagje oppassen, alleen noodgevalletje.’
Als ik zelf iets vraag, is het ingewikkeld.
Met kerst vorig jaar vroeg ik al in november: ‘Zal ik dit jaar bij een van jullie aanschuiven? Dan hoef ik niet alleen te zitten.’
Mijn zoon zei: ‘We weten nog niet hoe we het doen, schoonfamilie wil ook plannen.’
Mijn dochter zei: ‘Ik laat het nog weten, mam.’
Uiteindelijk was het 23 december en wist ik nog niets. Toen heb ik zelf maar gezegd: ‘Laat maar, ik red me wel.’
Daarop zei mijn dochter: ‘Zie je wel, nu doe je weer alsof wij je laten vallen.’
Dat vond ik zo pijnlijk, omdat ik dat woord niet eens had gebruikt.
Met Pasen zat ik wel bij mijn zoon, maar daar voelde ik me vooral een oppas die toevallig ook een eitje kreeg. Iedereen zat op telefoons, de kleinkinderen trokken zich terug, mijn schoondochter was druk in de keuken. Op een gegeven moment zei ik: ‘Zal ik helpen?’
Toen zei ze: ‘Nee hoor, blijf maar zitten, anders is het te vol.’
Niet onaardig bedoeld misschien. Maar ik zat daar aan die tafel en ik voelde me letterlijk overbodig.
Het ergste moment was vorige maand. Ik was gevallen met mijn fiets voor de Albert Heijn. Niets gebroken, gelukkig, wel flink geschrokken en een pijnlijke heup. Een voorbijganger hielp me overeind en ik belde mijn zoon omdat ik niet durfde terug te fietsen.
Hij nam niet op. Prima, kan gebeuren. Mijn dochter wel. Ik zei: ‘Ik ben gevallen, zou jij me misschien kunnen ophalen?’
Ze zei meteen: ‘Ik zit net in een overleg.’
Ik zei: ‘Ja, dat snap ik, maar ik sta hier een beetje te trillen.’
Toen zuchtte ze en zei: ‘Mam, bel dan de huisarts of een taxi als het zo erg is. Ik kan niet zomaar weglopen voor alles.’
Voor alles.
Dat woord bleef hangen. Alsof ik een terugkerend probleem was.
Die avond stuurde ze nog wel een appje: ‘Hoe gaat het nu?’ En ik antwoordde: ‘Beter.’ Meer niet. Ik had geen zin meer.
Een paar dagen later kwam mijn buurvrouw langs met soep. Zij zei: ‘Je klinkt stiller de laatste tijd.’ En toen ben ik gaan huilen, waar ik me nog voor schaamde ook. Ik zei: ‘Ik denk dat ik mezelf heb vergist in mijn plek.’
Want eerlijk is eerlijk: mijn kinderen zijn geen slechte mensen. Ze werken hard, hebben pubers, hypotheek, gedoe op hun werk, volle levens. En ik ben niet makkelijk geweest. Ik belde soms te vaak. Als iemand niet opnam, probeerde ik het later nog eens. Ik zei ook regelmatig dingen als: ‘Laat maar, ik ben maar alleen,’ en daar zit natuurlijk verwijt in, ook als je het verdrietig bedoelt. Dat heeft mijn dochter me laatst ook gezegd.
‘Mam, wij voelen ons bij jou nooit genoeg. Wat we ook doen, jij bent teleurgesteld.’
Dat kwam binnen, omdat er ook iets waars in zat.
Ik had namelijk in mijn hoofd dat al die jaren van zorgen later vanzelf zouden terugkomen in aandacht. Niet als schuld, maar wel als vanzelfsprekend familiegevoel. Even langsgaan, iemand die uit zichzelf zegt: ‘Mam, ik neem je mee.’ Alleen zo werkt het blijkbaar niet.
Dus ik heb iets gedaan wat ik veel eerder had moeten doen. Ik ben gestopt met trekken.
Ik heb het oppassen afgezegd dat nog in de agenda stond. Netjes hoor. Ik zei: ‘Ik wil voortaan alleen nog oppassen als het mij ook uitkomt. Niet meer standaard als achtervang.’ Mijn dochter was eerst geïrriteerd. ‘Dat is wel lastig zo kort van tevoren.’
Ik zei: ‘Dat snap ik. Maar voor mij was het ook vaak lastig en dan deed ik het toch.’
Ik heb me aangemeld bij een buurthuis voor een koffieochtend en een tabletcursus. Ik ben weer naar fysio gegaan voor mijn heup. Ik heb via de Wmo informatie gevraagd over vervoer, zodat ik niet meer voor ieder ritje afhankelijk ben. En met hulp van een vrijwilliger van het wijkteam heb ik mijn DigiD en ziekenhuisafspraken eindelijk zelf goed op orde.
Het klinkt misschien klein, maar voor mij voelde het groot.
Vorige week appte mijn zoon: ‘Mam, kun je zaterdag op de kinderen passen? We zitten klem.’
Ik heb voor het eerst teruggestuurd: ‘Nee, zaterdag heb ik zelf plannen.’
Dat was ook echt zo. Ik ging met twee vrouwen van de koffieochtend naar de weekmarkt en daarna koffie drinken.
Hij stuurde: ‘Oké, jammer.’ Meer niet.
En gek genoeg deed dat ook weer pijn. Alsof ik hoopte dat iemand zou zeggen: wat goed dat je ook iets voor jezelf hebt. Of: we hebben je misschien te vanzelfsprekend gevonden.
Dat kwam niet. Misschien komt dat ook niet.
Maar ik merk wel dat ik rustiger word nu ik niet meer de hele tijd wacht. Ik zet de radio aan, haal bloemen op vrijdag, maak een praatje beneden bij de flat van mijn vriendin, en als er niemand belt, is dat nog steeds naar, maar niet meer vernederend.
Ik ben hun moeder en oma, maar ik hoef niet meer te bedelen om een plekje in hun agenda. Dat had ik veel eerder moeten snappen. Niet omdat ik niet van ze hou, maar juist omdat ik ook een mens ben buiten wat ik allemaal voor anderen kan doen.
Toch blijft het lastig. Wanneer ben je als moeder begripvol en wanneer laat je te veel over je heen komen? Hadden mijn kinderen gelijk dat ik te veel verwachtte, of zijn we in families tegenwoordig een beetje kwijtgeraakt wat aandacht eigenlijk is?