Na veertig jaar vriendschap moest ik kiezen tussen loyaliteit en onze eigen rust
“Doe nou normaal, Hans,” zei ik veel te hard, terwijl in het restaurant twee tafels tegelijk onze kant op keken. Meteen had ik er spijt van. Hans keek me aan alsof híj niet begreep wat er aan de hand was, en naast hem verstijfde Marijke. Mijn man Peter schopte zacht tegen mijn been onder tafel, zo van: laat maar. Maar het was al te laat. De ober stond er ongemakkelijk bij met een fles huiswijn in zijn hand, en Hans bleef maar doorgaan tegen dat jonge meisje van de bediening. “Jij hebt dit net al drie keer gevraagd. Luister je wel?” zei hij bits. Terwijl zij hem alleen maar vroeg of hij nog friet bij zijn saté wilde.
We zijn alle vier begin zestig. Ik ken Hans en Marijke sinds 1984. We kregen ongeveer tegelijk kinderen, gingen jaren op camping De Zandstuve staan, vierden oud en nieuw om en om, pasten op elkaars huizen, aten bijna elke donderdag samen. Er zijn periodes geweest dat ik hen vaker zag dan mijn eigen broer. Dus toen Hans een jaar of twee geleden dingen begon te vergeten, praatten we dat eerst weg. Iedereen vergeet wel eens wat.
Maar het werd anders. Hij vertelde hetzelfde verhaal drie keer op één avond. Hij werd achterdochtig als Marijke even in de keuken stond te bellen. Tijdens een barbecue bij ons vroeg hij aan onze schoondochter of ze “nou nog steeds van die tijdelijke contractjes had” terwijl zij net te horen had gekregen dat ze vast in dienst kwam. Dat wist hij ook, we hadden het de week ervoor nog gevierd. Zij lachte het weg, maar ik zag haar gezicht.
Na afloop zei Peter in de keuken, terwijl hij de borden opstapelde: “Dit gaat niet meer alleen over ouder worden, hè.”
Ik zei: “Nee. Maar wat moeten wij ermee?”
Marijke wilde er niet aan. Als ik voorzichtig begon, kapte ze het af. “Hans is altijd een beetje direct geweest. Dat weten jullie toch.” Of: “Als iedereen hem nou niet zo op zijn vingers kijkt, ontspant hij ook meer.” Een keer zei ze ronduit: “Ik wil niet dat jullie hem behandelen alsof hij gek is.” Dat kwam hard aan, juist omdat niemand dat deed.
We bleven komen. Uit gewoonte, uit liefde ook. Maar die donderdagen veranderden. Vooraf voelde ik spanning in mijn buik. Peter ook. In de auto zei hij steeds vaker: “Als het weer zo’n avond wordt, zeg jij dan iets of zal ik?” En dan zei ik: “Nee, vanavond niet. Laten we het gezellig houden.” Alsof gezelligheid iets was wat je nog kon afdwingen.
Het nare was niet alleen Hans. Het was vooral dat alles ontkend moest worden. Als hij midden in een verhaal opeens boos werd omdat niemand hem zou laten uitpraten, terwijl er niemand tussendoor was gekomen, moesten wij doen alsof dat heel normaal was. Als hij Marijke corrigeerde op dingen die simpelweg niet klopten, moest iedereen meestribbelen om hem niet te krenken. Je ging de hele tijd scannen: wat kun je wel zeggen, wat beter niet, welke herinnering kan hem in de war maken, welke grap valt verkeerd. Ik merkte dat ik thuis uitgeput op de bank plofte na een avond die vroeger juist ontspanning was.
Die avond in het restaurant was voor Marijke en mij eigenlijk bedoeld als iets leuks. Peter was met pensioen gegaan, dus we zouden uit eten in Zwolle, gewoon bij een eetcafé aan de gracht. In het begin ging het nog. Hans maakte een flauwe opmerking over de prijs van de wijn, Peter lachte, ik dacht: zie je wel, misschien valt het mee. Tot Hans de menukaart kwijtraakte die gewoon naast zijn bord lag, daarna geïrriteerd raakte, en vervolgens zijn frustratie op die ober afreageerde. Toen het meisje wegliep, mompelde hij luid: “Ze nemen tegenwoordig ook iedereen maar aan.”
Ik voelde plaatsvervangende schaamte. Marijke pakte zijn arm. “Hans, hou op nou.”
En toen zei hij: “Bemoei jij je er niet mee. Jij maakt van alles altijd zo’n toestand.” Dat was het moment dat de stilte viel. Marijke werd rood, niet alleen van schaamte, maar ook van iets anders. Vermoeidheid, denk ik. Jaren aan vermoeidheid.
Op de parkeerplaats barstte het los. Marijke stond naast haar auto met haar sjaal nog half in haar jas.
“Jullie lieten hem gewoon vallen,” zei ze. “Alsof hij expres zo doet. Wat verwacht je nou van iemand die het moeilijk heeft?”
Peter bleef rustig. “We laten hem niet vallen. Maar dit gaat niet meer. We kunnen niet blijven doen alsof er niks aan de hand is.”
“Dus nu is hij ineens een last? Na al die jaren?” zei ze.
Ik zei: “Nee, Marijk, hoor nou. Het gaat niet om last. Het gaat erom dat jij alles alleen draagt en iedereen om jou heen moet meedoen in een toneelstuk. Dat houdt niemand vol.” Zodra ik het zei, wist ik dat het hard klonk. Maar het was wel waar.
Ze keek me aan alsof ik haar verraden had. “Jij van alle mensen.”
Drie dagen later heb ik haar gebeld. Ik had het gesprek van tevoren op een blaadje uitgeschreven, zo gespannen was ik. Ik zei dat we van hen houden, maar dat we niet meer elke week komen eten zolang er geen hulp in beeld is. Dat we best mee willen naar de huisarts, willen rijden, willen koken, willen oppassen als zij even moet slapen desnoods. Maar niet meer doen alsof alles normaal is.
Het bleef lang stil aan de andere kant. Toen zei ze alleen: “Ik weet niet meer wie jullie zijn geworden.” Daarna hing ze op.
We hebben elkaar daarna weken niet gezien. Dat deed echt pijn. Alsof er een stuk van ons leven was weggevallen. Geen donderdagavond meer, geen appjes over wie het toetje regelt met Pasen, geen Hans die te vroeg aanbelt met een bos tulpen van de markt. Ik was boos op Marijke, maar ik miste haar ook. En ik schaamde me er zelfs voor hoe opgelucht ik was dat ik niet meer op eieren hoefde te lopen.
Uiteindelijk belde hun dochter. Of we koffie wilden komen drinken, maar rustig. Er was inmiddels toch een afspraak bij de geheugenpoli. Hans zat erbij, stiller dan anders. Marijke zag er kleiner uit dan ik haar ooit had gezien. Ze zei: “Ik was vooral bang dat als ik het hardop zou zeggen, ik hem kwijt was.” Ik ben naast haar gaan zitten en heb haar hand vastgepakt. Meer kon ik eigenlijk niet doen.
Sindsdien is het anders. Minder vanzelfsprekend, minder licht. We zien elkaar niet meer elke week. Soms is een uur koffie al genoeg. Soms zeggen we af. En voor het eerst voel ik me daar niet schuldig over. Vriendschap is voor mij niet weggaan zodra het moeilijk wordt, maar ook niet jezelf verliezen in iemands ontkenning.
Ik heb geleerd dat grenzen stellen niet hetzelfde is als iemand laten vallen. Soms is het juist de eerlijkste vorm van blijven. Hoe kijken jullie daarnaar: wanneer help je een vriend door dik en dun, en wanneer moet je ook jezelf beschermen?