‘Ga jij dan toch gewoon mee?’: op dat moment voelde onze vriendengroep van veertig jaar ineens niet meer als thuis

‘Dan ga jij toch gewoon mee, Els? Dan blijft Kees lekker thuis.’

Ik weet nog precies hoe stil het daarna in onze keuken werd. De waterkoker sloeg net af, buiten reed de glasbakwagen door de straat, en ik stond met mijn hand om een mok die ineens veel te heet voelde. Aan de eettafel zaten mensen met wie we al bijna veertig jaar optrokken. Mensen met wie we campings, huurhuizen, huwelijken van kinderen, pensioenfeestjes en begrafenissen hadden gedeeld. En toch voelde ik me op dat moment alsof ik tegenover vreemden zat.

Kees keek naar zijn handen. Dat deed hij vaker sinds zijn operatie, alsof hij zelf ook nog moest wennen aan zijn lijf. Drie maanden geleden had hij een zware ingreep aan zijn buik gehad. Alles was goed gegaan, zeiden de artsen, maar goed gegaan betekende niet dat het leven ineens weer normaal was. Hij was snel moe, moest op tijd eten, kon niet lang lopen en sliep slecht als er te veel prikkels waren. Een trap zonder leuning was al een ding. Een vakantiehuis op een heuvel in de Dordogne, met elke dag markten, wandelingen en etentjes die pas om half elf begonnen, was gewoon niet haalbaar.

‘Ik zeg toch niet dat hij thuis móét blijven,’ zei Marianne, meteen een tikje geërgerd. ‘Maar we boeken dit al jaren zo. We hebben er ook recht op om een keer niet alles aan te passen.’

‘Alles?’ hoorde ik mezelf zeggen. ‘Ik vraag toch niet of we naar Center Parcs in Zeewolde moeten? Ik vraag alleen of we misschien een gelijkvloers huis kunnen nemen, iets minder afgelegen, en dat we niet elke dag zo’n vol programma doen.’

Hans zuchtte. ‘Els, wees nou eerlijk. Het gaat niet om een klein dingetje. Kees kan nu gewoon niet mee op de manier waarop wij vakantie vieren. Dat is rot, maar dat is wel de realiteit.’

Die zin bleef hangen: op de manier waarop wij vakantie vieren. Alsof er maar één manier was. Alsof veertig jaar samen optrekken niets betekende zodra iemand niet meer mee kon in hetzelfde tempo.

Vroeger waren wij juist degene die overal voor in waren. Kees reed in één ruk naar de Ardèche, zette dan nog de barbecue aan en ging de volgende ochtend als eerste brood halen. Hij organiseerde wijnproeverijen, sjouwde met boodschappen, maakte grappen aan lange tafels. Ik zag hem aan de overkant van de tafel zitten, stiller, magerder, een vest aan in juni omdat hij het snel koud had. En ik voelde me ineens woest dat de mensen die dat allemaal hadden meegemaakt vooral leken te denken aan hun wandelroutes en hun terrasjes.

Maar helemaal eerlijk: ik begreep hen ook een beetje. We zijn allemaal begin zestig, net met pensioen of bijna. Iedereen heeft iets ingeleverd de afgelopen jaren. Ouders verloren, gedoe met werk, kinderen die uit huis gingen of juist terugkwamen, knieën die protesteren. Die reis naar Frankrijk was altijd ons vaste baken. De grap was elk jaar hetzelfde: eerst gedoe in de appgroep, dan toch boeken, dan op de eerste avond te veel rosé en zeggen dat we dit nog jaren moesten doen. Misschien waren zij ook bang voor verandering. Dat als we dit loslieten, we moesten toegeven dat we ouder werden.

Toch deed hun voorstel pijn. Vooral omdat het zo praktisch gebracht werd.

‘Je bent toch ook niet alleen mantelzorger?’ zei Marianne. ‘Je bent ook nog jezelf.’

Ik zei: ‘Dat klopt. Maar ik ben wel zijn vrouw.’

Kees probeerde het nog glad te strijken, zoals altijd. ‘Doe nou niet zo moeilijk om mij. Als jullie graag dat huis willen, moeten jullie dat doen. Misschien is het voor mij ook nog te vroeg.’

Ik kende die toon. Dat luchtige, dat vergoelijkende. Daaronder zat schaamte. Hij wilde niet degene zijn om wie alles draaide. Sinds de operatie zei hij vaak: ‘Ik wil geen last zijn.’ Ik begon dat zinnetje haast nog meer te haten dan de operatie zelf.

Toen iedereen weg was, bleef de schaal met blokjes kaas op tafel staan. De mosterd was uitgedroogd aan de rand. Kees ruimde zwijgend de glazen op.

‘Je mag best gaan, hoor,’ zei hij zonder me aan te kijken.

‘Wil jij dat?’

Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik wil vooral niet dat jij straks ook nog je vrienden kwijt bent door mij.’

Dat was het moment waarop ik moest slikken. Niet omdat hij me iets verbood of juist toestond, maar omdat ik besefte hoe klein zijn wereld in een paar maanden was geworden. Ziekenhuis, fysiotherapie, bank, korte wandeling naar het einde van de straat en terug. En dan zou ik voor tien dagen vertrekken zodat ik in Frankrijk kon doen alsof alles nog was zoals vroeger?

Die avond heb ik in de groepsapp gezet dat wij niet meegingen. Niet boos, geen verwijten. Gewoon dat Kees nog herstellende was, dat ik bij hem wilde blijven en dat ik het jammer vond dat we er samen niet uit waren gekomen. Hans stuurde een duimpje. Marianne een lang bericht over dat ze hoopte dat ik haar niet verkeerd begreep. Twee anderen belden de volgende dag apart. Allemaal vriendelijk, maar ook opgelucht, alsof de knoop eindelijk doorgehakt was.

Een week later heb ik met Kees een klein huisje geboekt in Noord-Limburg, op een park waar ik vroeger mijn neus voor had opgehaald. Te braaf, te vlak, te Nederlands. We gingen drie nachten. Meer kon hij nog niet aan. We dronken koffie uit dikke mokken op een terras zonder uitzicht, maakten een wandeling van twintig minuten waar we veertig minuten over deden, en op de tweede avond zei hij: ‘Ik had niet gedacht dat ik dit nog leuk zou vinden.’

Ik ook niet, eerlijk gezegd. Ik miste Frankrijk. Ik miste het lawaai van de lange tafels, het vaste ritme, het gevoel ergens bij te horen. Maar ik merkte ook dat er iets van me afviel. Dat ik niet steeds hoefde te rekenen of Kees het tempo kon bijbenen, of de anderen zich verveelden, of ik iedereen tevreden hield. Voor het eerst zag ik hoe vaak ik in die groep automatisch had meegebogen om de sfeer goed te houden.

Sindsdien is het anders. Niet kapot, maar anders. De appgroep bestaat nog. Er worden foto’s gedeeld van markten, flessen wijn en zonnebloemvelden. Ik reageer soms met een hartje, soms helemaal niet. Met twee stellen hebben we nog goed contact. Met Marianne veel minder. Misschien komt dat nog, misschien ook niet.

Wat ik het lastigst vond, was niet dat ze hun vakantie wilden houden. Het was dat ze niet konden verdragen dat onze levens ineens niet meer gelijk opliepen. Alsof vriendschap alleen makkelijk is zolang iedereen dezelfde pas houdt.

Ik heb geleerd dat loyaliteit soms heel stil is: niet meegaan, thuisblijven, soep opwarmen, medicijnen klaarzetten en toch geen spijt voelen. Maar ik vraag me nog steeds af: had ik te veel verwacht van oude vrienden, of is dit juist het moment waarop je ontdekt wat vriendschap echt waard is?