“Als je nu niet bij ons intrekt, wat was onze vriendschap dan waard?”: na veertig jaar vriendschap moest ik kiezen tussen mijn beste vriendin en mijn eigen huwelijk
‘Dus dit is het dan?’ zei Anita, met haar hand nog op de deurpost van de keuken. ‘Veertig jaar vriendschap, en dan wil je niet eens echt helpen.’
Ik voelde mijn wangen heet worden. Mijn man Kees stond naast me, stijf, met zijn autosleutels nog in zijn hand. In de woonkamer hoorde ik Henk hoesten, zo’n droge, uitputtende hoest die de laatste maanden overal doorheen sneed. Ik had nog mijn sjaal om. We waren eigenlijk alleen gekomen om soep te brengen en de medicijnen van de apotheek af te geven. En ineens stonden we midden in een gesprek waar geen nette uitweg meer uit was.
‘Dat is niet eerlijk, Anita,’ zei ik. Mijn stem trilde irritant. ‘We helpen toch? We zijn er bijna elke dag.’
Kees zuchtte hoorbaar. ‘Bij hen intrekken is iets heel anders dan helpen.’
Anita keek hem aan alsof hij iets onfatsoenlijks had gezegd. ‘Voor jou misschien. Maar als je weet dat iemand het niet redt, dan doe je toch wat nodig is?’
Henk en Anita kennen we sinds 1983. Eerst via de tennisvereniging in Amersfoort, later werd het meer dan dat. Samen op campingvakanties in Zeeland, samen aan de zijlijn van voetbalvelden toen de kinderen klein waren, oppassen op elkaars huis, maaltijden brengen toen mijn moeder overleed. Toen Kees zes jaar geleden een bypass kreeg, zat Henk bijna elke avond naast zijn bed in het ziekenhuis met een veel te sterke bak automatenkoffie. Dit waren geen kennissen. Dit waren de mensen van wie ik dacht dat ze er altijd zouden zijn.
Drie maanden geleden hoorde Henk dat zijn longkanker niet meer te genezen was. Sindsdien ging alles snel. Eerst nog wijkverpleging, later een ziekenhuisbed in de woonkamer. Anita sliep amper. Ze belde me vaak al om half zeven. ‘Ik trek dit niet meer, Marjan,’ zei ze dan. En ik zei telkens: ‘We komen eraan.’
Dat deden we ook. Boodschappen, was draaien, bij Henk zitten zodat Anita even kon douchen of een rondje kon lopen. Kees deed de tuin, ik kookte extra porties andijviestamppot en pasta en zette die in bakjes in hun vriezer. Maar voor Anita was het niet genoeg meer.
Een week eerder had ze het voor het eerst gezegd. We zaten aan hun eettafel, tussen stapels incontinentiemateriaal en folders van de thuiszorg.
‘Waarom komen jullie niet gewoon tijdelijk hier?’ vroeg ze. Alsof het de normaalste zaak van de wereld was. ‘Boven zijn twee kamers leeg. Dan kunnen we het samen doen. Gewoon tot…’ Ze maakte haar zin niet af.
Ik wist niets uit te brengen. Kees wel.
‘Nee,’ zei hij meteen. Niet hard, maar wel duidelijk.
Anita lachte toen nog kort, alsof hij een slechte grap maakte. ‘Doe niet zo moeilijk, Kees.’
‘Ik doe niet moeilijk. Ik ben tweeënzestig, ik wil best helpen, maar ik ga niet inwonen. Dat is niet goed voor jullie en ook niet voor ons.’
Henk draaide zijn hoofd op het kussen. ‘Professionele zorg snapt niet wat wij nodig hebben.’
Kees antwoordde: ‘Professionele zorg is er juist voor dit soort situaties.’
Vanaf dat moment hing er iets tussen ons wat ik niet weg kreeg. Anita bleef mij appen, steeds dringender. Of ik er niet in mijn eentje een paar nachten kon slapen. Of Kees anders thuis kon blijven en ik bij haar. Of ik begreep dat echte vrienden zich in zware tijden bewijzen.
Ik begon slecht te slapen. Overdag zat ik bij hen en voelde ik me schuldig als ik naar huis ging. Thuis zat Kees stil aan tafel en voelde ik me schuldig omdat ik met mijn hoofd ergens anders was. We kregen ruzie over dingen waar we anders nooit ruzie over hadden.
‘Jij denkt alleen aan je rust,’ beet ik hem op een avond toe.
Hij keek me aan, moe maar kalm. ‘Nee, ik denk ook aan jou. Jij bent al weken op. Als jij daar intrekt, ga je eraan onderdoor. En dan? Hebben we er twee zieken bij?’
‘Dat is wel erg overdreven.’
‘Is dat zo? Je huilt in de badkamer zodat zij het niet zien.’
Dat hij dat wist, maakte me alleen maar bozer. Omdat hij gelijk had.
De klap kwam op een dinsdagmiddag. Anita had me gevraagd alleen te komen. Henk sliep. Zij schonk koffie in die ze zelf niet dronk.
‘Ik ga het je eerlijk zeggen,’ zei ze. ‘Ik vind dat jij je laat tegenhouden door Kees. Ik herken je niet meer.’
Ik voelde meteen verzet. ‘Ik laat me niet tegenhouden. We proberen een grens te houden.’
‘Grens?’ zei ze scherp. ‘Henk gaat dood, Marjan. Dit is toch niet het moment voor grenzen?’
Ik keek naar haar handen. Ze trilden toen ze het lepeltje neerlegde.
‘Juist wel,’ zei ik zacht. ‘Omdat anders alles omvalt.’
Toen kwam die zin. ‘Als jullie nu niet bereid zijn dit voor ons te doen, dan vraag ik me echt af wat onze vriendschap al die jaren betekend heeft.’
Ik weet nog dat ik naar de fruitschaal op het aanrecht staarde, alsof daar een verstandig antwoord in lag. Maar er kwam alleen verdriet. Geen mooie woorden, geen doorbraak.
Ik ben naar huis gereden in de regen, over de Stichtse Rotonde, met de ruitenwissers te hard en mijn keel dicht. Thuis zat Kees in zijn stoel met de krant op schoot zonder te lezen.
‘En?’ vroeg hij.
Ik ging tegenover hem zitten en zei: ‘Ze heeft me laten kiezen. Zo voelt het tenminste.’
Hij knikte langzaam. ‘Dan moet je misschien ook kiezen. Niet tussen haar en mij. Maar tussen helpen en jezelf verliezen.’
Die avond hebben we voor het eerst niet over principes gepraat, maar praktisch. Wat konden we wél doen? We hebben de huisarts gebeld, later de casemanager palliatieve zorg, en de volgende dag zat er iemand aan tafel die wél wist welke nachtzorg en respijtzorg mogelijk waren. Anita vond het in het begin kil en zakelijk. Ze zei bijna niets. Maar een week later was er een vast rooster en sliep ze voor het eerst weer een paar uur achter elkaar.
Onze vriendschap werd niet meteen beter. Eerlijk gezegd: een tijd lang was het stroef en pijnlijk. Alsof er een barst in een oud servies zat die je van alle kanten bleef zien. Ik ben wel blijven gaan, met soep, schone handdoeken en gewoon mijn aanwezigheid. Maar ik ben niet gebleven slapen. Kees ook niet.
Henk overleed in april, op een rustige ochtend, terwijl Anita en een verpleegkundige bij hem waren. Bij de uitvaart pakte Anita mijn hand vast bij de koffie en zei ze: ‘Ik ben boos op veel dingen geweest. Ook op jou. Misschien vooral omdat ik zo bang was.’ Ik kon alleen maar knikken.
We zijn nu acht maanden verder. We zien elkaar minder dan vroeger, maar als we elkaar zien, is het eerlijker. Minder vanzelfsprekend, misschien daardoor ook echter. Ik heb geleerd dat trouw zijn aan een vriend niet hetzelfde is als elk verzoek inwilligen, en dat liefde zonder grenzen soms omslaat in verwijt.
Ik draag nog steeds schuld met me mee, maar niet meer dezelfde. Eerder het verdriet dat je niet alles voor iedereen kunt oplossen. Waar zouden jullie de grens trekken tussen echte vriendschap en jezelf voorbijlopen?