Bep, vergeef me dat ik je vergat

‘Marloes, weet je dat je oma al drie dagen niet gegeten heeft?’ Ans’ stem trilt terwijl ze haar boodschappentas steviger vastpakt. Ik staar haar aan, de woorden echoën in mijn hoofd. ‘Wat bedoel je?’ vraag ik, mijn stem klinkt schor, alsof ik net wakker ben.

‘Ze zegt dat ze geen honger heeft, maar ze ziet er zo mager uit. En…’ Ans aarzelt, ‘ik dacht dat jij misschien…’

Ik voel hoe mijn wangen rood worden van schaamte. Mijn oma Bep, die altijd voor iedereen klaarstond, die mij vroeger opving als mijn ouders weer eens ruzie hadden. En nu? Ik ben haar vergeten. Of nee, niet vergeten – maar verdrongen, weggestopt tussen werkmails, de ruzies met mijn broer Sander en het eeuwige gevoel dat ik tekortschiet.

Die avond zit ik aan de keukentafel met een kop thee die koud wordt. Mijn man Jeroen komt binnen. ‘Wat is er?’ vraagt hij. Ik vertel hem wat Ans zei. Hij zucht. ‘Je kunt niet alles oplossen, Marloes.’

‘Maar dit is anders,’ fluister ik. ‘Het is Bep.’

De volgende ochtend sta ik voor haar deur in Utrecht Overvecht. De geur van oude boeken en vergeelde gordijnen slaat me tegemoet als ik binnenstap. Bep zit in haar stoel, haar grijze haar in een warrige knot. Ze kijkt op van haar kruiswoordpuzzel.

‘Dag meisje,’ zegt ze zacht. Haar stem klinkt dunner dan ik me herinner.

‘Bep… heb je gegeten?’

Ze haalt haar schouders op. ‘Geen trek.’

Ik loop naar de keuken en zie dat de koelkast bijna leeg is. Een half pak melk, een potje augurken en een stuk oude kaas. Mijn maag draait zich om.

‘Waarom heb je niks gezegd?’ vraag ik als ik terugkom.

Ze glimlacht flauwtjes. ‘Jij hebt het al druk genoeg.’

Die avond bel ik Sander. Hij neemt pas na vijf keer overgaan op. ‘Wat is er nou weer?’ klinkt zijn stem geërgerd.

‘Bep eet niet meer. Ze is mager geworden.’

‘Ja, en? Ze is oud, Marloes. Je kunt haar niet dwingen.’

‘We moeten iets doen! Misschien samen boodschappen doen? Of een schema maken?’

Hij zucht diep. ‘Ik heb het druk met de kinderen en werk. Jij woont dichterbij.’

Ik voel de woede opborrelen. ‘Altijd hetzelfde! Jij schuift alles af!’

‘En jij denkt altijd dat jij alles moet redden!’ snauwt hij terug.

Het gesprek eindigt in stilte. Ik staar naar mijn telefoon en voel me kleiner dan ooit.

De dagen daarna probeer ik Bep te helpen. Ik neem soep mee, bak pannenkoeken zoals vroeger. Soms eet ze een paar happen, soms duwt ze het bord weg.

‘Waarom wil je niet eten?’ vraag ik op een middag terwijl de regen tegen het raam tikt.

Ze kijkt me aan met waterige ogen. ‘Wat heeft het voor zin? Iedereen is toch weg.’

Ik slik. ‘Ik ben er nog.’

Ze knikt, maar haar blik dwaalt af naar buiten.

Op een zondagmiddag zit ik met Jeroen op de bank. ‘Misschien moeten we hulp inschakelen,’ zegt hij voorzichtig.

‘Ze wil geen vreemden in huis,’ zeg ik.

‘Maar jij kunt dit niet alleen dragen.’

Ik weet dat hij gelijk heeft, maar het voelt als falen.

De weken verstrijken. Sander komt één keer langs, met zijn dochtertje Fleur die verlegen achter zijn been blijft staan. Bep glimlacht even als Fleur haar een tekening geeft, maar daarna zakt ze weer weg in zichzelf.

Op een avond barst ik in tranen uit bij Jeroen. ‘Ik weet niet meer wat ik moet doen! Ze glijdt gewoon weg… en ik kan haar niet vasthouden.’

Hij slaat zijn arm om me heen. ‘Je doet wat je kunt.’

Maar het voelt niet genoeg.

Op een dag vind ik Bep slapend in haar stoel, haar ademhaling oppervlakkig. Ik bel de huisarts, die zachtjes zegt: ‘Ze is op.’

In de dagen na haar overlijden voel ik me leeg en schuldig tegelijk. Op de begrafenis staan Sander en ik naast elkaar zonder elkaar aan te kijken.

Na afloop loop ik naar hem toe. ‘We hadden meer moeten doen,’ fluister ik.

Hij knikt alleen maar.

’s Avonds blader ik door oude fotoalbums: Bep op het strand in Zandvoort, Bep met mij op schoot bij Sinterklaas, Bep die lacht terwijl ze appeltaart bakt.

De stilte in huis is oorverdovend.

Soms vraag ik me af: wanneer zijn we elkaar eigenlijk kwijtgeraakt? En waarom is het zo moeilijk om elkaar vast te houden als het er echt toe doet?

Misschien zijn er meer mensen zoals ik – die proberen te redden wat er nog over is, maar zich toch altijd tekort voelen schieten.