Onder de Regen: Het Verhaal van Wina van Dijk

‘Wina, wat dóe je nou?’ De stem van mijn zus Marije galmt nog na in mijn hoofd, scherp als een mes. Ik lig op de koude stoep, mijn regenjas drijfnat, terwijl de regen onophoudelijk op mij neerklettert. Mijn handen trillen. Ik voel het vocht door mijn kleren trekken, maar ik kan me er niet toe zetten op te staan. Mijn hoofd bonkt. Alles wat ik nog hoor is het geluid van haar hakken die zich verwijderen, haar woede die als een echo tussen de grachtenpanden blijft hangen.

Hoe ben ik hier beland? Nog geen uur geleden zaten we samen aan tafel in het oude huis van onze moeder aan de Herengracht. De geur van verse koffie en appeltaart hing in de lucht, maar de spanning was om te snijden. Marije had haar armen over elkaar geslagen, haar blik strak op mij gericht. ‘Je liegt, Wina. Je liegt altijd als het moeilijk wordt.’

‘Dat is niet waar,’ fluisterde ik, maar mijn stem klonk zwak, zelfs voor mezelf.

‘Je hebt geld van mama’s rekening gehaald zonder het te vragen. Weet je wel wat dat betekent? Ze vertrouwt je!’

Ik voelde hoe mijn wangen rood werden. ‘Ik had het nodig… voor de huur. Ik zou het terugstorten zodra ik mijn salaris kreeg.’

Marije snoof. ‘Altijd hetzelfde liedje. Je hebt altijd een excuus. Maar dit keer is het anders, Wina. Mama is ziek. Ze heeft rust nodig, geen drama.’

Ik keek naar onze moeder, die zwijgend haar handen om haar kopje koffie had gevouwen. Haar ogen stonden dof, haar schouders leken kleiner dan ooit. Sinds papa vorig jaar plotseling overleed aan een hartaanval, was alles veranderd. Marije was de sterke geworden, de verantwoordelijke dochter. Ik… ik was degene die alles liet vallen.

‘Misschien moet je maar even weggaan,’ zei Marije uiteindelijk. ‘Tot je je leven weer op orde hebt.’

En nu lig ik hier, op de stoep, terwijl voorbijgangers me vluchtig aankijken en snel doorlopen. Niemand vraagt of het gaat. Niemand kent mijn verhaal.

Mijn telefoon trilt in mijn jaszak. Een bericht van mijn ex, Bas: ‘Wina, waar ben je? Krijn vraagt naar je.’ Krijn, onze zoon van zeven. Mijn hart krimpt samen. Ik heb hem beloofd hem vandaag op te halen van school, maar alles liep uit de hand.

Ik veeg de tranen van mijn gezicht en probeer overeind te komen. Mijn knieën doen pijn en mijn hoofd duizelt. Ik strompel naar het bushokje aan de overkant en laat me op het koude bankje zakken.

‘Gaat het wel?’ Een oudere vrouw met een boodschappentas kijkt me bezorgd aan.

‘Ja… ja hoor,’ lieg ik automatisch.

Ze knikt langzaam en schuifelt verder. Ik voel me nog kleiner dan daarvoor.

Mijn gedachten dwalen af naar vroeger, toen alles nog simpel leek. Toen papa nog leefde en we met z’n allen naar Zandvoort gingen in de zomer. Marije en ik bouwden zandkastelen terwijl papa ons ijsjes kocht en mama lachte in haar strohoed. Waar is dat meisje gebleven? Wanneer ben ik veranderd in iemand die haar familie teleurstelt?

Mijn telefoon trilt opnieuw. Dit keer een bericht van Marije: ‘Sorry dat ik zo boos was. Maar je moet echt hulp zoeken, Win.’

Hulp zoeken… Het klinkt zo makkelijk als iemand anders het zegt. Maar hoe doe je dat als je niet eens weet waar je moet beginnen? Ik heb altijd gedacht dat ik sterk genoeg was om alles zelf op te lossen. Maar nu voel ik me zwakker dan ooit.

De bus komt eraan en ik stap in zonder echt te weten waar ik heen wil. Mijn hoofd is een warboel van schuldgevoelens en spijt. Ik denk aan Krijn en vraag me af of hij begrijpt waarom mama soms zomaar verdwijnt.

Thuis aangekomen – een kleine flat in Amsterdam-West – is het stil. Te stil. De foto’s van Krijn aan de muur lijken me verwijtend aan te kijken. Ik laat mezelf op de bank vallen en staar naar het plafond.

Plotseling gaat de bel. Mijn hart slaat over.

‘Wina?’ Bas staat in de deuropening, Krijn aan zijn hand.

‘Mama!’ roept Krijn en rent op me af.

Ik kniel neer en sla mijn armen om hem heen, voel zijn warme lijfje tegen me aan drukken.

Bas kijkt me aan met een mengeling van bezorgdheid en frustratie. ‘We moeten praten.’

Ik knik en gebaar dat hij binnen moet komen.

‘Dit kan zo niet langer,’ begint Bas zodra Krijn met zijn speelgoed naar zijn kamer is verdwenen. ‘Je bent onbereikbaar, vergeet afspraken… Krijn verdient beter.’

‘Ik weet het,’ fluister ik schor.

‘Misschien moet je echt hulp zoeken, Wina,’ zegt hij zachter nu.

De woorden van Marije komen weer boven drijven. Hulp zoeken… Misschien is dit het moment om toe te geven dat ik het niet alleen kan.

Die nacht lig ik wakker in bed, luisterend naar het zachte gesnurk van Krijn in de kamer naast mij. Mijn gedachten razen: over mama, over Marije, over Bas… Over mezelf.

De volgende ochtend pak ik mijn telefoon en zoek naar het nummer van een psycholoog in de buurt. Mijn vingers trillen als ik bel.

‘Goedemorgen, praktijk Van der Meer.’

‘Eh… goedemorgen,’ stamel ik. ‘Mijn naam is Wina van Dijk… Ik denk dat ik hulp nodig heb.’

Het gesprek is kort maar vriendelijk. Ik krijg een afspraak voor volgende week.

Als ik ophang voel ik voor het eerst sinds maanden een sprankje hoop. Misschien kan ik mezelf weer terugvinden – het meisje dat zandkastelen bouwde met haar zus, dat haar moeder liet lachen.

Later die week ga ik langs bij mama. Ze zit in haar stoel bij het raam, een dun dekentje over haar benen.

‘Dag meisje,’ zegt ze zacht als ze me ziet.

Ik kniel naast haar neer en pak haar hand vast.

‘Het spijt me, mam,’ fluister ik met tranen in mijn ogen.

Ze strijkt door mijn haar zoals vroeger en zegt: ‘Iedereen maakt fouten, lieverd. Het gaat erom wat je ermee doet.’

Als ik weer buiten sta voel ik de regen op mijn gezicht – maar deze keer voelt het als verlossing.

Soms vraag ik me af: hoeveel tweede kansen krijgt een mens? En durf jij ze te grijpen als ze zich aandienen?