Na veertig jaar vriendschap zei ik eindelijk nee aan onze vriendengroep – en mijn man wist niet aan welke kant hij stond
‘Doe nou niet zo moeilijk, Els, het is gewoon een mooi voorstel.’
Ik hoorde het glas van Anita tegen haar bord tikken terwijl ze het zei, zo’n klein geluid waar ineens de hele tafel stil van lijkt te vallen. Mijn vork lag nog in mijn hand. Ik had nog geen hap genomen van de zalm. Jan keek naar zijn bord. Dat vond ik nog het ergst.
We zijn met z’n achten. Al bijna veertig jaar. Ontstaan op de tennisvereniging, later etentjes, fietsdagen, kaartavonden, een weekendje weg in Drenthe, een huisje op de Veluwe, altijd de tweede zaterdag van de maand iets. We hebben elkaars kinderen zien opgroeien, scheidingen van ouders meegemaakt, pensioenborrels, begrafenissen. Het was nooit uitbundig, maar wel vast. Een soort sociaal vangnet waar je niet over nadacht omdat het er gewoon was.
Tot de laatste jaren.
Anita en Rob zijn steeds meer gaan bepalen. Eerst ongemerkt. Rob maakte een schema ‘om het praktisch te houden’. Anita koos restaurants ‘omdat niemand anders reserveert’. Daarna vakanties. ‘Portugal was toch fantastisch, dan doen we dit jaar weer zoiets.’ En voor we het wisten, zat de groepsapp vol links, data en prijzen waar eigenlijk niet meer op gereageerd hoefde te worden behalve met een duimpje.
Jan haalde dan zijn schouders op. ‘Laat gaan, Els. Zo houden we het gezellig.’
Maar ik vond het al lang niet gezellig meer. Niet omdat Anita en Rob monsters zijn. Zo simpel is het niet. Zij zijn energiek, handig, goed in regelen, en eerlijk is eerlijk: de rest liet het ook gebeuren. Wij ook. Jarenlang. Omdat niemand zin had in gedoe.
Alleen werd mijn irritatie langzaam iets anders. Ik voelde me klein worden in een groep waar ik me vroeger juist op mijn gemak voelde.
De gezamenlijke reis was de druppel. Tien dagen Toscane, buiten het seizoen, ‘heel redelijk geprijsd’ volgens Anita. Bijna 2.000 euro per stel, exclusief diners en uitstapjes.
Ik zei in de app: ‘Voor ons hoeft dit niet. Te duur, en eerlijk gezegd wil ik even geen groepsreis.’
Anita belde dezelfde avond nog.
‘Waarom zet je dat zo in de app?’ vroeg ze.
‘Omdat het mijn antwoord is,’ zei ik.
‘Je brengt anderen aan het twijfelen.’
‘Misschien twijfelen ze al.’
‘Je doet ineens alsof wij mensen iets opdringen.’
Dat “ineens” bleef hangen. Alsof ik jarenlang iets had moeten slikken en nu ondankbaar was omdat ik er iets van zei.
Jan vond dat ik het te scherp had gebracht. We kregen daar thuis ruzie over, iets wat zelden gebeurt.
‘Je maakt het groter dan nodig,’ zei hij in de keuken, terwijl hij de vaatwasser inruimde.
‘Nee,’ zei ik, ‘ik zeg eindelijk hardop wat er al jaren speelt.’
‘Maar waarom nu zo? We zijn geen dertig meer. Ik heb geen behoefte aan gedoe met de enige vaste vrienden die we nog hebben.’
Dat kwam binnen. Niet omdat het niet waar was, maar juist omdat het zo waar was. Sinds ons pensioen zijn contacten veranderd. Collega’s vallen weg, kinderen hebben hun eigen leven, je wereld wordt kleiner zonder dat je het doorhebt. Deze groep was voor Jan ook veiligheid.
Dus ging ik toch mee naar dat diner vorige week, bij Rob en Anita thuis in Houten. Ik had me voorgenomen rustig te blijven. Gewoon luisteren, niet meteen in de verdediging.
Het ging eerst over kleinkinderen, knieklachten, de verbouwing van Kees en Marijke. Tot Rob weer begon over Toscane.
‘We moeten nu wel boeken,’ zei hij. ‘Anders wordt het duurder. Behalve voor Els en Jan dan, die weten het blijkbaar nog niet.’
Er werd wat lacherig gedaan. Zo’n ongemakkelijk gelach waar iedereen zich achter verstopt.
Ik zei: ‘Wij weten het wel. We gaan niet mee.’
Anita leunde achterover. ‘Maar mag ik dan eerlijk zijn? Ik vind het jammer dat jij de sfeer zo laat afhangen van jouw principiële punt.’
‘Mijn principiële punt?’ vroeg ik.
‘Ja, alles moet ineens anders omdat jij je ergens aan ergert. Vriendschap is ook een beetje geven en nemen.’
Ik voelde mijn gezicht warm worden. ‘Geven en nemen geldt voor iedereen, Anita. Niet alleen voor de rest richting jullie.’
Toen zei Rob: ‘Nou, nou, alsof wij dictators zijn. We regelen tenminste wat. De meesten vinden het prima. Misschien moet niet alles altijd om jouw gevoel draaien.’
Daar was het. Niet eens schreeuwerig, gewoon kaal op tafel. Mijn mening was lastig. Mijn gevoel was een probleem.
Ik keek naar Jan. Ik dacht: zeg nu iets. Gewoon één zin.
Hij kuchte en zei zacht: ‘Misschien moeten we het hier vanavond niet te groot maken.’
Ik schoof mijn stoel naar achteren. ‘Voor mij is het al groot genoeg.’
In de gang pakte ik mijn jas met trillende handen. Marijke liep achter me aan.
‘Ik snap je wel een beetje,’ fluisterde ze. ‘Maar ja… zo is het nou eenmaal gegaan.’
Dat zinnetje brak iets open in mij. Zo is het nou eenmaal gegaan. Alsof dat hetzelfde is als: zo moet het dus blijven.
Jan reed zwijgend naar huis. Halverwege zei hij: ‘Je had ook kunnen blijven zitten.’
Ik staarde naar de natte A27 en zei: ‘En jij had ook naast me kunnen gaan staan.’
Thuis heeft hij lang aan de eettafel gezeten. Zonder televisie, zonder radio. Alleen het gezoem van de koelkast. Uiteindelijk zei hij: ‘Ik ben bang dat als wij hier een punt van maken, we de groep kwijt zijn.’
Ik zei: ‘En ik ben bang dat ik mezelf kwijtraak als ik weer doe alsof dit normaal is.’
De dagen erna bleef het stil in de app. Toen stuurde Kees ineens: ‘Misschien goed om een keer zonder plannen af te spreken en gewoon uit te praten?’ Dat had ik eerlijk gezegd niet verwacht. Marijke reageerde meteen met een hartje. Zelfs Sofie, die normaal nooit ergens op ingaat, schreef: ‘Lijkt me verstandig.’
Rob niet. Anita ook niet.
Gisteren hebben Jan en ik gewandeld langs de Lek. Voor het eerst sprak hij uit wat ik al langer voelde.
‘Ik heb te vaak gekozen voor rust op korte termijn,’ zei hij. ‘Eigenlijk wist ik best dat jij gelijk had. Ik durfde alleen niet te verliezen wat vertrouwd was.’
Dat vond ik misschien nog moeilijker dan al die ruzie: dat angst zo veel invloed kan hebben op gewone, verstandige mensen. Ook op ons.
We weten nog niet hoe dit afloopt. Misschien valt de groep uiteen. Misschien komt er eindelijk een eerlijk gesprek. Misschien blijven sommige vriendschappen over en andere niet. Maar we hebben besloten niet mee te gaan naar Toscane, en ook niet meer automatisch overal in mee te bewegen alleen om spanning te vermijden.
Ik dacht vroeger dat lange vriendschap vanzelf betekende dat je elkaar kende en respecteerde. Nu denk ik dat je ook na veertig jaar nog grenzen moet durven benoemen, anders word je langzaam iemand die steeds minder zegt en steeds meer slikt. Hoe zouden jullie dit aanpakken: de vrede bewaren, of toch het risico nemen om oude vriendschappen op het spel te zetten?