Na 34 jaar vriendschap moest ik kiezen tussen mijn vrouw en onze vriendengroep
‘Zeg nou gewoon eerlijk, Kees, vind jij dit nog gezellig?’
Ik stond met een halfvol wijnglas in mijn hand in de keuken van dat gehuurde huisje bij Otterlo, terwijl in de woonkamer de bitterballen koud werden. Iedereen was stil. Zelfs dat irritante gezoem van de afzuigkap leek ineens hard. Mijn vrouw Marjan zat rechtop aan de eettafel, haar kaken strak. Aan de andere kant keek Hans me aan zoals hij me vroeger aankeek als we samen voetbal keken en Ajax weer eens stond te prutsen, alleen zat er nu geen lol meer in. Alleen druk.
Wij zijn al meer dan dertig jaar met dezelfde club: etentjes op vrijdag, in de zomer een dag varen bij Loosdrecht, af en toe een museum, eens per jaar een weekend weg. Niet spectaculair, wel vertrouwd. We kennen elkaars kinderen, scheidingen, knieoperaties, pensioenplannen. Het soort vriendschap waarbij je niet alles hoeft uit te leggen.
Tenminste, dat dacht ik.
Marjan is het afgelopen jaar veranderd. Of eigenlijk: ze zegt zelf dat ze eindelijk minder braaf is geworden. Sinds haar pensioen heeft ze zich aangesloten bij een actiegroep in Amersfoort. Eerst ging het over klimaat en openbaar vervoer, daarna ook over asielbeleid, ongelijkheid, zorg, boerenprotesten, van alles. Ze leest zich in, gaat naar bijeenkomsten, staat soms op het plein met een bord. Ik vond het in het begin eigenlijk mooi. Ze had ergens weer vuur voor.
Maar bij onze vriendengroep lag dat gevoelig. Wij zijn niet extreem, maar wel mensen van: doe normaal, we komen hier voor de gezelligheid. Geen gedoe aan tafel. Hans moppert op ‘Den Haag’, Els vindt dat ‘je tegenwoordig niks meer mag zeggen’, Peter leest alleen de sportpagina en wil het liefst over de caravan praten. Vroeger glimlachte Marjan daar wat omheen. Nu niet meer.
Thuis zei ik: ‘Ik steun je best, maar moet het nou steeds bij de groep?’
Ze zette de waterkoker aan en zei: ‘Dus ik mag buitenshuis wel mezelf zijn, maar niet bij de mensen met wie we al dertig jaar omgaan?’
‘Dat zeg ik niet.’
‘Dat zeg je eigenlijk wel, Kees.’
Ik werd daar chagrijnig van, juist omdat ik ergens voelde dat ze me klem had. ‘Ik wil gewoon geen ruzie elke vrijdag.’
‘Nee,’ zei ze. ‘Jij wil rust. Altijd rust. Ook als die rust betekent dat iedereen maar wat roept en niemand iets terugzegt.’
Ik vond dat onzin. Maar ook weer niet helemaal.
Dat weekend ging het mis bij het tweede glas wijn. Els begon over “dat het land onherkenbaar verandert” en lachte er een beetje bij. Vroeger zou Marjan haar best doen het onderwerp af te buigen. Nu legde ze haar vork neer en zei: ‘Wat bedoel je daar precies mee?’
Iedereen voelde hem aankomen. Hans zuchtte al. Peter keek naar zijn bord. Els zei: ‘Ach kom, je weet toch hoe ik het bedoel.’
‘Nee,’ zei Marjan. ‘Zeg het dan gewoon.’
Toen ging het snel. Over vluchtelingen, boeren, stikstof, demonstraties, “de gewone Nederlander”, “de linkse kerk”, “privilege” – woorden die in onze groep nooit hardop vielen. Niet zo. Hans sloeg een keer met vlakke hand op tafel. Marjan werd feller naarmate ze zich weggezet voelde. Ik zei nog: ‘Laten we hiermee stoppen.’ Maar dat klonk slap, zelfs in mijn eigen oren.
Later trok Hans me apart in de keuken. ‘Dit werkt zo niet meer, vriend. We hoeven het niet allemaal eens te zijn, maar zij komt hier binnen alsof ze ons even zal opvoeden.’
Even later kwam Els erbij. Ze zei zachter: ‘Kees, we zijn al zo lang bevriend. Maar het is elke keer spanning. Als dit zo doorgaat, houden we ermee op.’
‘Waarmee?’ vroeg ik.
‘Met dit. Met samen weg, samen eten. Met dat op eieren lopen.’
En toen kwam die zin waar ik nog steeds slecht van slaap: ‘Jij moet ook eens aangeven waar je staat.’
Alsof ik op een schoolplein stond en moest kiezen bij welk groepje ik hoorde.
Die nacht sliep ik op de rand van het bed. Marjan lag met haar rug naar me toe. Om drie uur zei ze ineens: ‘Als jij nu ook vindt dat ik mijn mond moet houden, zeg het dan gewoon.’
Ik zei heel lang niks. Toen zei ik: ‘Ik vind dat je mensen overvalt.’
Ze draaide zich om. In het licht van de wekker zag ik dat ze gehuild had. ‘Ik overval mensen? Kees, ik zit al jaren in kamers waar van alles wordt gezegd en waar ik maar glimlach om de vrede te bewaren. Ik ben daar klaar mee. Ik ben 64. Als ik nu nog moet doen alsof, wanneer mag ik dan wel mezelf zijn?’
Ik wilde zeggen dat het niet om doen alsof ging, maar om timing, om toon, om elkaar heel houden. Toch hoorde ik mezelf vragen: ‘En wij dan? Wat gebeurt er met ons als die hele groep afhaakt?’
Ze zei: ‘Misschien is dat dan pijnlijk. Maar misschien zegt het ook iets over hoe stevig die vriendschap echt was.’
Na dat weekend is het niet ontploft, maar juist stiller geworden. Een paar appjes minder. Een etentje afgezegd. Hans die “we kijken na de zomer wel even” stuurde. Dat deed meer pijn dan een knallende ruzie. Marjan ging intussen door met haar bijeenkomsten, maar thuis werd ze ook zachter. Ze zei een keer: ‘Ik had niet door dat jij zoveel leunde op die groep.’ En ik moest toegeven: ‘Ik had niet door hoeveel je jezelf daar al jaren inhield.’
Vorige maand zijn we voor het eerst met z’n tweeën gaan wandelen in de Soesterduinen en hebben we er echt over gepraat, zonder dat ik meteen naar harmonie greep of zij meteen naar principes. Ik heb haar gezegd dat ik haar niet kwijt wil, ook niet aan een versie van rust waarin zij kleiner moet worden. Zij zei dat overtuiging geen vrijbrief is om mensen in een hoek te zetten.
Met de groep is het nog steeds ongemakkelijk. Sommigen zie ik apart, met een kop koffie in de stad. Alles is minder vanzelfsprekend geworden. Maar misschien is dat ook eerlijker dan doen alsof er niks veranderd is.
Ik dacht altijd dat loyaliteit betekende dat je de boel bij elkaar houdt. Nu denk ik dat loyaliteit soms juist begint bij durven erkennen dat iemand veranderd is, ook als jij daar bang van wordt. Hoe zouden jullie hiermee omgaan: je partner steunen in wie die geworden is, of proberen een vriendenkring van tientallen jaren heel te houden?