‘Jullie laten ons vallen’: hoe een vriendschap van veertig jaar onder druk kwam te staan toen hulp zorg werd
‘Dus dít zijn jullie dan,’ zei Kees, met zijn hand nog op de deurklink. ‘Veertig jaar vrienden, en nu het moeilijk wordt, haken jullie af.’
Ik stond in hun hal met mijn jas nog aan en voelde mijn wangen gloeien. Naast me keek mijn man Rob naar de grond. Ik wist even niet wat erger was: de schaamte, de boosheid, of het rotgevoel dat er ergens in Kees’ woorden ook iets waar was.
We kennen Kees en Marjan sinds begin jaren tachtig. We zaten vroeger met de kinderen op dezelfde camping in Zeeland, later gingen we samen stedentrips doen, etentjes, fietsen op de Veluwe, een midweek naar Drenthe. Gewone dingen. Oudejaarsavond altijd om en om. Als er iets was, belden we elkaar. Het soort vriendschap waarvan je denkt: dit blijft, wat er ook gebeurt.
Tot twee jaar geleden bij Marjan de eerste scheurtjes zichtbaar werden. Eerst vergat ze afspraken. Toen wist ze onderweg naar de markt ineens niet meer waar ze woonde. Tijdens een etentje vroeg ze drie keer of de lasagne vegetarisch was, terwijl ze die zelf had gemaakt. We lachten het eerst nog weg. ‘Ach, de leeftijd,’ zei ze zelf ook. Maar na de onderzoeken in het ziekenhuis kwam toch dat woord op tafel: beginnende dementie.
Vanaf dat moment veranderde alles langzaam, en toen opeens heel snel. Kees trok het slecht. Dat is geen verwijt, het is gewoon zo. Hij deed alles zelf, wilde nergens officiële hulp voor, en zei steeds: ‘Dat regel ik wel.’ Maar ondertussen belde hij mij steeds vaker.
‘Zou jij morgen met Marjan naar de huisarts kunnen? Ik heb beroerd geslapen.’
‘Kunnen jullie wat boodschappen meenemen? Ze eet anders weer niks.’
‘Rob, kun jij even mee naar de geheugenpoli volgende week? Ze luistert beter naar jou dan naar mij.’
In het begin deden we dat zonder nadenken. Natuurlijk. Daar zijn vrienden voor. Ik zette een extra kratje in de auto voor hun boodschappen, Rob reed met Marjan naar afspraken als Kees erdoorheen zat, en op donderdag aten ze vaak bij ons omdat dat voor Kees lucht gaf. Maar incidentele hulp werd een patroon. Patroon werd verwachting.
Op een gegeven moment had ik een schriftje op het aanrecht liggen waarin ik opschreef wat we voor hen deden, puur om overzicht te houden. Apotheek, ziekenhuis, Albert Heijn, weer een afspraak afzeggen, een pan soep brengen, meegaan naar de dagbesteding om kennis te maken. Het stond voller dan mijn eigen agenda. We zijn allebei net een paar jaar met pensioen. We hadden ons voorgenomen wat meer te fietsen, mijn zus in Groningen vaker te zien, gewoon ook eens niks te moeten. In plaats daarvan durfden we bijna geen dag meer weg, omdat er altijd iets kon zijn.
Rob zei het als eerste hardop. ‘Ik trek dit niet meer, Ans. Het is niet dat ik Kees en Marjan niet wil helpen. Maar dit is geen helpen meer. Dit is zorg.’
Ik werd boos op hem, omdat ik eigenlijk wist dat hij gelijk had.
Toch bleef het knagen. Want hoe zeg je tegen mensen met wie je een halve leven deelt dat het te veel wordt? Alsof je bij een brand zegt dat je best één emmer water komt brengen, maar geen tweede.
Vorige maand zouden Rob en ik een lang weekend naar Maastricht. Hotel al geboekt, museumkaart mee, eindelijk even eruit. Twee dagen van tevoren belde Kees. Marjan was onrustig, had slecht geslapen, wilde steeds ‘naar huis’ terwijl ze gewoon thuis was. Of wij de zaterdag konden komen zodat hij een paar uur kon bijslapen.
Ik hoorde mezelf zeggen: ‘We zijn weg dit weekend.’
Het bleef even stil. Toen zei hij: ‘Serieus?’
Die zondag heb ik in dat hotel meer op mijn telefoon gekeken dan naar buiten. Drie gemiste oproepen. Een appje van Kees: Laat maar. Ik regel het wel.
De week erna zijn we langsgegaan om te praten. Gewoon aan de keukentafel, met slappe koffie en een half pak Sultana’s ertussen. Marjan zat erbij, maar haakte af en toe af in het gesprek. Ze vroeg een paar keer of het woensdag was.
Ik zei: ‘Kees, we willen er voor jullie zijn. Maar niet meer op deze manier. Het wordt te veel. We kunnen niet structureel elke week klaarstaan alsof we deel van de zorg zijn.’
Hij keek me aan alsof ik hem iets had afgepakt.
‘Dus wanneer je vrienden je nodig hebben, trek je een grens. Mooi is dat.’
Rob bleef rustig. ‘Nee, we trekken een grens vóór we omvallen. Dat is iets anders. Jij hebt professionele hulp nodig, Kees. Een casemanager, thuiszorg, misschien dagopvang uitbreiden.’
‘Daar begin jij ook al over,’ zei hij kortaf. ‘Iedereen wil haar uit handen trekken.’
‘Dat is niet eerlijk,’ zei ik. ‘We laten jullie niet vallen. Maar we kunnen niet jullie vangnet, mantelzorger, chauffeur en boodschappendienst tegelijk zijn.’
Toen zei hij die zin bij de deur.
Sindsdien is het stil. Geen spontane appjes, geen foto’s van de kleinkinderen, niks. Alleen één bericht van Marjan laatst, waarschijnlijk met hulp van Kees: Jammer dat we elkaar weinig zien.
Ik heb er nachten van wakker gelegen. Omdat ik hem ook snap. Als je partner langzaam verdwijnt terwijl ze nog naast je zit, dan grijp je alles aan wat overeind blijft. Dan voelen grenzen van anderen al snel als afwijzing. Maar ik vind ook dat onze vriendschap niet had mogen veranderen in een onuitgesproken contract waar je alleen met schuld uit kon ontsnappen.
Vorige week heb ik toch weer gebeld. Niet om terug te krabbelen, maar om iets concreets voor te stellen: één vaste middag per twee weken neem ik Marjan mee wandelen of koffie drinken, en Rob kan één keer per maand rijden naar een afspraak als het echt nodig is. Daarnaast wil ik best meedenken over professionele hulp, formulieren, Wmo, dat soort gedoe. Kees klonk moe. Minder boos ook. Hij zei alleen: ‘Ik moet eraan wennen dat het niet meer is zoals vroeger.’
Ik ook.
Misschien is dat het pijnlijkste van ouder worden: dat liefde en trouw nog even groot kunnen zijn, terwijl je draagkracht kleiner wordt. Ik leer nu dat een grens trekken niet altijd betekent dat je minder om iemand geeft. Hoe zouden jullie hiermee omgaan: wanneer ben je een goede vriend, en wanneer offer je te veel van jezelf op?