Ik zei nee tegen extra oppassen op mijn andere kleinkinderen, en nu voelt het alsof ik in mijn eigen familie de lastige ben
‘Mam, het is toch juist gezellig als ze allemaal samen zijn?’ hoorde ik mijn zoon zeggen aan de keukentafel, terwijl ik mijn koffie koud liet worden. Ik voelde me daar meteen klein door worden, alsof ik me moest verdedigen voor iets wat ik zelf nog maar net durfde toe te geven: ik wilde het niet.
Ik pas nu al drie jaar op mijn twee kleinkinderen van mijn dochter, op de dagen dat zij en haar man werken. Dat is in die jaren helemaal ons ritme geworden. Woensdagochtend hang ik de kleine jasjes aan de kapstok, we eten rond half elf fruit aan tafel, daarna gaan we naar de speeltuin als het droog is of lezen we boekjes op de bank. De oudste weet precies waar de kleurpotloden liggen, de jongste valt na een boterham meestal rond kwart over twaalf in slaap. Het is voorspelbaar, rustig, vertrouwd. Voor de kinderen, maar eerlijk gezegd ook voor mij.
Ik ben 64 en ik doe dat met liefde. Niet omdat het ‘moet’, maar omdat ik geniet van hun koppies, hun vaste grapjes, het gevoel dat ze zich veilig voelen bij mij. Mijn dochter zegt weleens: ‘Mam, bij jou zijn ze altijd zo rustig.’ En daar ben ik stiekem best trots op.
Sinds kort is mijn zoon tijdelijk terug in Nederland. Voor zijn werk zat hij jaren in het buitenland en nu woont hij met zijn vrouw en hun twee jongens voor een halfjaar in een huurhuis hier tien minuten vandaan. Natuurlijk ben ik daar blij mee. Ik zie ze eindelijk vaker dan een paar weken per jaar. Maar al in de eerste week merkte ik verschil. Hun jongens zijn lieve kinderen, daar niet van, maar het is bij hen veel vrijer. Eten gebeurt wat later, schermtijd is losser, slapen ook. Als ze hier zijn, rennen ze van de woonkamer naar de tuin, trekken halverwege een spel iets anders uit de kast, praten door elkaar heen. Mijn kleinkinderen van mijn dochter gaan daar helemaal in mee. Na zo’n middag zijn ze druk, huilerig en moe. En ik ook.
Mijn schoondochter zei het heel luchtig. ‘Hé, ik ben op dinsdag en donderdag vrij. Zal ik de jongens gewoon bij jou brengen als jij toch al oppast? Scheelt iedereen gedoe, en het is leuk voor die neefjes samen.’
Ik lachte nog een beetje en zei: ‘Ja, ik snap de gedachte.’ Maar vanbinnen kromp ik al in elkaar.
Die avond zei ik tegen mijn man: ‘Ik wil dit eigenlijk helemaal niet.’
Hij keek me aan en zei: ‘Dan moet je dat ook zeggen.’
‘Ja, maar hoe dan? Alsof ik háár kinderen niet wil.’
‘Dat is niet wat je zegt. Je zegt dat het je te veel wordt.’
Maar zo simpel voelde het niet. In onze familie is de sfeer altijd: we denken mee, we lossen het op, we doen niet zo moeilijk. Ik hoorde het mezelf bijna al zeggen op zo’n toon waar ik zelf een hekel aan heb: moeilijk, star, oma die alles op haar manier wil.
Toch merkte ik na een paar gezamenlijke middagen dat de rek eruit ging. Ik begon op te zien tegen de oppasdagen. Dat vond ik misschien nog wel het ergste. Iets waar ik altijd blij van werd, voelde ineens als een opgave. Toen de jongste van mijn dochter krijsend op de keukenvloer lag omdat hij niet ook een liga tegelijk met een koekje kreeg, terwijl de neefjes alweer achter elkaar aan over de bank sprongen, dacht ik alleen maar: dit trek ik niet zes maanden.
Dus heb ik mijn zoon gebeld. Mijn handen trilden nog, belachelijk eigenlijk op mijn leeftijd, maar toch.
‘Lieverd,’ zei ik, ‘ik wil even iets zeggen over het oppassen.’
‘Ja?’
‘Ik wil de kinderen niet samen opvangen op mijn vaste dagen.’
Het bleef even stil.
‘Niet?’
‘Nee. Ik merk dat die dagen voor de kleintjes van je zus heel belangrijk zijn qua rust en structuur. En eerlijk gezegd ook voor mij. Als ik het samen doe, wordt het me te druk.’
Hij zuchtte. Niet overdreven, maar ik hoorde teleurstelling.
‘Jammer wel. We dachten juist dat het mooi zou zijn als ze die tijd samen hadden.’
‘Dat snap ik ook. En ik vind het ook fijn dat jullie dichtbij zijn. Maar ik kan niet goed oppassen op vier kinderen tegelijk op een manier die voor iedereen prettig is.’
Later appte mijn schoondochter: ‘Ik vind het wel lastig te begrijpen, want het zijn gewoon neefjes en ze vinden elkaar leuk. Maar helder.’
Dat ‘maar helder’ kwam harder aan dan ik wil toegeven.
Een paar dagen liep ik ermee rond alsof ik iets kapot had gemaakt. Mijn dochter zei juist: ‘Mam, goed dat je eerlijk bent. Ik merk ook dat ze van slag zijn na zo’n middag.’ Mijn zoon bleef verder vriendelijk, maar iets afstandelijker. Of misschien vulde ik dat zelf in.
Vorige week had ik weer een gewone oppasdag, alleen met de twee van mijn dochter. We aten mandarijntjes aan tafel, de oudste wilde een puzzel maken, de jongste sliep op mijn schouder in voordat ik hem in bed legde. En ik voelde het meteen: dit is waarom ik dit doe. Niet om iedereen tevreden te houden, maar om er echt te kunnen zijn.
Misschien heb ik een mooie kans op extra familiemomenten laten lopen. Misschien was ik te star. Maar ik heb ook geleerd dat liefde niet betekent dat je overal ja op moet zeggen, zeker niet als je voelt dat je daarmee iets waardevols kwijtraakt.
Ik probeer steeds beter te luisteren naar de plek in mezelf waar onrust begint, want daar zit vaak een grens die ik te lang heb genegeerd. Hoe zouden jullie dit hebben aangepakt: kiezen voor de familievrede, of toch voor je eigen gevoel en structuur?