‘Als dit vriendschap is, dan hoor je er gewoon te zijn’: hoe onze hechte band van dertig jaar brak toen zorg alles overnam
‘Dus dít zijn jullie dan na dertig jaar vriendschap?’ zei Els aan de telefoon. Ik hoorde haar adem hoog zitten, alsof ze al de hele ochtend had gehuild of geschreeuwd. ‘Eén dag per week. Eén dag. Jullie schamen je toch kapot?’
Ik stond met een theedoek in mijn hand in de keuken en keek naar mijn man Kees, die alleen maar zijn ogen sloot. Het was dinsdagochtend, de vaatwasser stond nog open, en ik voelde me opeens alsof ik iets afschuwelijks had gedaan. Terwijl ik óók wist dat we niet meer konden.
Wij kennen Els en Henk al sinds begin jaren negentig. Eerst via de camping in Zeeland, later bleven we elkaar ook thuis zien. Samen fietsen, klaverjassen, een keer naar de Intratuin met kerst, en bijna elke vrijdag bij elkaar eten. Het was altijd gelijkwaardig. Als Henk de barbecue aanstak, maakte Kees de salades. Als ik kookte, nam Els het toetje mee. Zo’n vriendschap waarvan je denkt: die gaat gewoon mee tot het einde.
Twee jaar geleden begon Henk te veranderen. Eerst kleine dingen. Verhalen drie keer vertellen. De autosleutels in de koelkast. Een keer op de terugweg van de markt in Alkmaar de afslag missen en dan boos worden omdat Els ‘zo zat te zeuren’. We lachten het eerst nog weg. Tot Els me na een etentje appte: ‘Ik vertrouw het niet.’
Na onderzoeken in het ziekenhuis kwam het woord dementie op tafel. Nog beginnend, zeiden ze. Maar ‘beginnend’ klinkt veel kleiner dan het in een huwelijk is. Vanaf dat moment werd Els’ wereld heel klein. Henk wilde geen thuiszorg. Geen dagbesteding. ‘Ik ben toch niet gek,’ zei hij dan. En Els ving alles op.
In het begin hielpen wij vanzelf. Kees reed Henk naar de neuroloog in het Dijklander. Ik ging mee naar gesprekken, omdat Els soms zo gespannen was dat ze de helft niet hoorde. We regelden DigiD-dingen, belden met de bank, zetten afspraken in een agenda op de koelkast. Heel normaal voelde dat toen. Daar zijn vrienden toch voor.
Maar langzaam werd het meer. Of eigenlijk: alles. ‘Kun jij even mee, want hij wil niet douchen.’ ‘Kunnen jullie morgen komen, want ik moet naar de tandarts.’ ‘Ik snap die brieven van de gemeente niet.’ ‘Hij heeft vannacht rondgelopen, ik ben kapot.’
Ik begon mijn telefoon zachter te zetten. Niet omdat ik niet om haar gaf, maar omdat ik schrok van elk piepje. Kees zei op een avond: ‘We zijn met pensioen, maar het voelt alsof we 24/7 oproepdienst hebben.’ Daar schaamde hij zich meteen voor, dat zag ik. Ik ook. Want Els had het zwaarder dan wij, daar hoefde niemand over te discussiëren.
Toch begon ons eigen leven te verdwijnen. Mijn wandelclubje zegde ik drie keer af. Kees ging niet meer vissen op zaterdag, omdat hij bang was dat er weer iets zou zijn. Zelfs onze vrijdagavonden waren geen gezellige etentjes meer, maar overleg aan tafel over medicatie, incontinentiemateriaal en formulieren van de Wmo.
De avond dat het misging, zaten ze bij ons aan de eettafel. Henk was stil, prikte met zijn vork in de sperziebonen en vroeg vier keer of het al maandag was. Els zag er grauw uit. Na het eten zei Kees voorzichtig: ‘We moeten het ergens over hebben.’
Els keek meteen strak. ‘Nou, zeg het maar.’
‘We willen blijven helpen,’ zei hij, ‘maar dit houden we zo niet vol. We moeten wat duidelijker afspreken wat we kunnen doen.’
Ik vulde aan: ‘We dachten aan één vaste dag per week. Dan doen we administratie, boodschappen, rijden als het nodig is. En natuurlijk als er echt iets acuut is, dan kijken we mee. Maar niet meer de hele tijd stand-by.’
Het bleef even stil. Toen lachte Els kort, zo’n harde lach zonder humor. ‘Een vaste dag? Alsof ik een schoonheidssalon boek.’
‘Zo bedoelen we het niet,’ zei ik.
‘Nee, maar zo komt het wel over. Henk wordt ziek, mijn hele leven stort in, en jullie komen met een rooster.’
Kees bleef rustig. ‘Els, we zijn 63 en 65. We kunnen dit niet overnemen. Jij hebt professionele hulp nodig.’
‘Professionele hulp?’ zei ze fel. ‘Jij denkt dat ik dat niet geprobeerd heb? Wachtlijsten, formulieren, mensen die tien minuten komen en weer weg zijn. Jullie zijn de enigen die er echt zijn. Tenminste, dat dacht ik.’
Henk keek intussen van de een naar de ander en zei zacht: ‘Gaan we naar huis?’ Dat brak iets in mij.
Een dag later belde ze dus, met dat verwijt van verraad. Daarna werd het grimmiger. Appjes als: ‘Nu weet ik wat jullie vriendschap waard is.’ En: ‘Als de rollen omgedraaid waren, had ik jullie nóóit laten vallen.’
Misschien had ze gelijk, dacht ik soms om drie uur ’s nachts. Misschien ben ik toch harder geworden met de jaren. Maar als ik eerlijk was, wist ik ook dat ik boos begon te worden op haar claim. Alsof onze liefde voor haar alleen echt was als wij onszelf opofferden.
Uiteindelijk zijn Kees en ik toch bij haar langsgegaan. Niet om alsnog overal ja op te zeggen, maar omdat ik dit niet via appjes kapot wilde laten gaan. Els zat in haar vest aan de keukentafel, tussen stapels papieren en een half lege pot pindakaas. Ze zag eruit alsof ze weken niet echt had geslapen.
Ik zei: ‘Je hoeft ons niet te sparen. Je mag woedend zijn. Maar je mag niet van ons vragen dat we eraan onderdoor gaan.’
Kees schoof een lijstje naar haar toe. Nummers van casemanagement dementie, een mantelzorgmakelaar, dagopvang in de buurt, vrijwilligersvervoer. ‘Ik bel morgen met je mee,’ zei hij. ‘Echt. Maar we kunnen niet jullie complete vangnet zijn.’
Els begon te huilen. Niet netjes, niet zacht. Gewoon moe en lelijk huilen, zoals echte wanhoop klinkt. ‘Ik wil gewoon mijn oude leven terug,’ zei ze. ‘En ik weet ook wel dat dat niet kan.’
Voor het eerst voelde het niet als een ruzie, maar als rouw. Niet alleen om Henk, maar ook om wie wij met z’n vieren altijd waren.
Sindsdien helpen we nog steeds één dag per week. Soms drink ik daarnaast even koffie met Els als het uitkomt, maar niet meer automatisch bij elke paniekmelding. Ze is afstandelijker geworden. De vrijdagavonden zoals vroeger komen waarschijnlijk niet terug. Henk herkent Kees soms wel, soms niet. Dat is iedere keer weer slikken.
Ik heb geleerd dat trouw zijn aan iemand niet hetzelfde is als grenzeloos beschikbaar zijn. En toch doet het pijn dat een vriendschap van dertig jaar juist op haar moeilijkste moment een andere vorm moest krijgen. Hoe zouden jullie hiermee omgaan: is zelfbehoud in zo’n situatie eerlijk, of laat je een echte vriend dan toch in de steek?