‘Dan hoor je er eigenlijk niet meer bij’: na veertig jaar vriendschap stond ik ineens buiten mijn eigen vriendengroep
‘Als jij daar niet in mee wilt, Henk, dan moeten we misschien eerlijk zijn dat het niet meer past.’
Ik weet nog precies hoe ik mijn glas neerzette. Te hard. Niet kapot, maar wel hard genoeg dat iedereen stilviel. We zaten gewoon bij Kees en Marjan aan de eikenhouten tafel, zoals al zo vaak op vrijdagavond. Alleen lag er nu geen menukaart van een restaurant op tafel of een foldertje voor een weekendje weg, maar een vel papier met bovenaan: eenvoudiger, groener, bewuster.
Ik werd rood, dat voelde ik zelf ook. ‘Dus omdat ik niet sta te juichen bij linzensoep en zwerfafval prikken, hoor ik er niet meer bij?’
Marjan zuchtte. ‘Zo zeg je het weer heel flauw, Henk.’
Mijn vrouw Els legde haar hand op mijn arm. ‘Doe nou even rustig.’
Maar rustig was ik al weken niet meer.
Wij kennen Kees en Marjan al sinds begin jaren tachtig. Zelfde dorp, kinderen op dezelfde basisschool, eerst samen koffie na het voetbal, later etentjes, oud en nieuw, fietstochtjes, en toen de kinderen het huis uit waren ook vakanties. Met nog twee andere stellen erbij waren we een vast clubje. Niet chic-chic, maar we genoten wel. Eén keer per maand uit eten in Amersfoort of Zwolle, in het voorjaar een midweekje naar de Moezel of de Ardennen, en in de winter ergens een hotel met goed ontbijt. We hadden er hard voor gewerkt, vonden wij.
Toen Kees vorig jaar met pensioen ging, veranderde hij snel. Eerst vond ik het nog wel mooi dat hij fanatiek werd met de moestuin en minder vlees wilde eten. Prima. Maar het werd al gauw meer dan dat. Geen vliegreizen meer, geen restaurants ‘die meedraaien in overconsumptie’, geen cadeaus behalve tweedehands, liever geen auto als de fiets ook kon. Hij ging twee dagen per week vrijwilligerswerk doen bij de kringloop en verwachtte eigenlijk dat wij ook ‘bewustere keuzes’ gingen maken.
Els vond het inspirerend. ‘Er zit ook wel wat in, Henk,’ zei ze dan terwijl ze de GFT-bak weer eens beter stond te scheiden dan ik. ‘We hoeven toch niet altijd maar meer en duurder?’
‘Nee,’ zei ik dan, ‘maar we hoeven ook niet ineens te doen alsof alles wat we leuk vonden fout is.’
Dat was de kern. Ik voelde me niet alleen tegengesproken, ik voelde me beoordeeld. Alsof een goed glas wijn op een terras ineens een moreel gebrek was.
Toch slikte ik veel in, voor de goede vrede. We deden mee aan een paar gezamenlijke maaltijden waarbij iedereen iets meenam. Prima op zich, al vond ik het eerlijk gezegd vaak gedoe en zat ik daarna thuis nog een boterham te eten. We gingen een keer op zaterdag helpen in de buurttuin. Ik heb echt mijn best gedaan. Maar toen Kees zei: ‘Zie je wel, dit geeft toch veel meer voldoening dan doelloos consumeren,’ knapte er iets in mij.
‘Doelloos?’ zei ik. ‘Dus al die jaren samen uit eten en weg geweest, dat was doelloos?’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Dat zeg ik niet, maar we weten nu meer dan toen.’
Die zin bleef hangen. We weten nu meer dan toen. Alsof de rest van ons achterlijk was gebleven.
De echte klap kwam vorige maand in onze groepsapp, die al jaren “De Vrijdagclub” heet. Marjan stelde voor om voortaan alle uitjes in lijn te brengen met hun nieuwe manier van leven. Geen restaurants meer behalve heel af en toe iets lokaals en eenvoudigs, geen vakanties verder dan met de trein haalbaar, en liever activiteiten met ‘maatschappelijke waarde’. Daarna reageerde een van de andere stellen meteen: ‘Lijkt ons goed plan, wij willen ook minderen.’
Els appte een duimpje en een hartje. Ik legde mijn telefoon weg.
‘s Avonds kregen we ruzie, echt ruzie zoals vroeger met kleine kinderen en te weinig slaap. ‘Waarom moet alles altijd jouw kant op vallen?’ vroeg Els. ‘Misschien verandert het leven gewoon.’
Ik zei iets onhandigs over groepsdruk en geitenwollensokken. Daar schaam ik me nog steeds voor. Ze keek me aan alsof ik haar niet meer begreep.
En toen zaten we dus aan die tafel, met dat vel papier, en kwam het ultimatum. Niet eens hard uitgesproken, maar duidelijk genoeg: als je deze richting niet wilt, dan groeit de groep uit elkaar. Kees zei: ‘We hebben geen zin meer in half-half. Dat geeft alleen maar gedoe.’
Ik dacht: veertig jaar, en nu moet ik solliciteren op mijn eigen vriendschap.
Tot mijn verbazing begon Els te huilen. Niet hard, gewoon stil. ‘Ik wil jullie niet kwijt,’ zei ze. ‘Maar ik wil Henk ook niet kwijt in zijn koppigheid.’
Dat was het moment waarop ik voor het eerst niet alleen boos was, maar ook bang. Niet voor linzensoep of vrijwilligerswerk, maar voor een lege agenda. Voor vrijdagen zonder vanzelfsprekende appjes. Voor ouder worden zonder die mensen die al je verhalen kennen.
We zijn die avond vroeg weggegaan. In de auto zei Els lang niks. Bij de rotonde richting ons huis zei ze: ‘Het gaat mij niet om sober leven om het sobere leven. Ik vind alleen dat zij tenminste durven te veranderen. En jij verdedigt vooral wat vertrouwd is.’
Dat kwam binnen, juist omdat er iets waars in zat.
De weken erna hebben we niet besloten om braaf mee te doen, maar ook niet om de deur dicht te gooien. Ik heb Kees gebeld, zonder publiek erbij. Dat was beter. Ik zei: ‘Ik wil best mee in sommige dingen, maar ik laat me niet de maat nemen over hoe ik leef. En ik ga niet doen alsof genieten iets is om je voor te schamen.’
Hij bleef even stil en zei toen: ‘Misschien ben ik ook te fanatiek geworden. Ik ben bang dat alles maar doorgaat zoals altijd, terwijl ik juist nu iets zinnigs wil doen.’
Dat snapte ik opeens ook. Zijn pensioen was niet alleen vrijheid; het was ook zoeken naar betekenis.
We hebben nu geen wekelijkse diners meer zoals vroeger. Soms eten we simpel bij iemand thuis, soms spreken Els en Marjan apart af, en vorige maand zijn Els en ik samen, zonder de groep, een weekend naar Maastricht gegaan. Daar had ik eerst bijna schuldgevoel over. Achteraf vond ik dat misschien nog wel het vreemdste.
De vriendschap is niet meer hetzelfde, maar ook niet helemaal weg. Misschien is dat wat ik op mijn zestigste nog moest leren: trouw zijn aan anderen is mooi, maar niet als je daarvoor jezelf moet wegpoetsen. En veranderen hoeft niet te betekenen dat iedereen in hetzelfde tempo of in dezelfde richting mee moet.
Ik mis hoe vanzelfsprekend het vroeger was, maar ik ben ook opgelucht dat we eindelijk eerlijk zijn geweest. Hoe kijken jullie hiernaar: moet je in een oude vriendschap meegroeien met grote veranderingen, of mag je op een gegeven moment ook zeggen dat iets gewoon niet meer bij je past?