Mijn man wilde na zijn pensioen ons hele leven omgooien, en juist op het jubileum van onze vriendengroep brak er iets in mij
‘Dus jij gaat dit nu echt zeggen, waar iedereen bij is?’ vroeg ik, met mijn hand nog op de koelkastdeur. Ik voelde mijn wangen gloeien. In de woonkamer hoorde ik het gelach van onze vrienden, het gerinkel van wijnglazen, de vertrouwde stemmen die al dertig jaar door ons huis gingen. En Kees stond tegenover mij in de keuken, in zijn fleecevest, alsof hij het over het weer had. ‘Ja, Anja. Wanneer dan wel? We doen al jaren alsof dit nog bij ons past.’
Dat woordje ons deed het meeste pijn.
Wij zijn allebei 67. Al sinds de kinderen klein waren hebben we met drie andere stellen een vaste club. Elke eerste zaterdag van de maand. Om de beurt koken, altijd net iets te uitgebreid: stoofvlees, zalm uit de oven, mooie kazen van de markt, toetje in glazen schaaltjes. Niet chic-chic, gewoon: aandacht. Vertrouwd. Een reden om het huis aan kant te maken, de tafel mooi te dekken, even ergens bij te horen.
Sinds Kees vorig jaar met pensioen is, is hij veranderd. Niet slecht veranderd, dat zeg ik er eerlijk bij. Hij is afgevallen, loopt elke ochtend tien kilometer, heeft de schuur opgeruimd, wil minder spullen, minder verplichtingen, minder ‘burgerlijke franje’, zoals hij het noemt. Eerst vond ik het nog verfrissend. Tot hij alles waar ík houvast aan had, begon te zien als ballast.
‘Waarom zitten we eigenlijk steeds uren te eten?’ zei hij een paar maanden geleden na een etentje bij Hans en Mireille. ‘We kunnen toch ook gaan wandelen in de duinen, daarna koffie uit een thermoskan. Of samen vrijwilligerswerk doen. Iets nuttigs.’
Mireille lachte toen nog. ‘Nou Kees, jij mag van mij best in de duinen lopen, maar ik ga niet met een thermoskan mijn jubileum vieren hoor.’
Iedereen lachte, behalve Kees.
Daarna kwam het vaker terug. In de groepsapp, aan de telefoon, zelfs bij de Albert Heijn tussen de groente. Hij wilde de bijeenkomsten ‘toegankelijker’ maken. Niet meer bij mensen thuis, maar op een openbare plek. Een buurthuis, een park, een museumcafé. ‘Dan is het minder gedoe, minder kosten, minder nadruk op bezit.’
Ik hoorde wat hij eigenlijk zei: minder thuis, minder intimiteit, minder van wat ons ons maakte.
Ik heb hem dat ook gezegd. Op een dinsdagavond, gewoon aan de keukentafel. ‘Voor jou is het vernieuwing,’ zei ik. ‘Voor mij voelt het alsof je de hele geschiedenis eruit trekt.’
Hij zuchtte. ‘An, we zijn geen museumstuk.’
‘Nee,’ zei ik, ‘maar we zijn ook geen project.’
De groep splitste langzaam. Hans vond Kees wel een punt hebben. ‘We worden ouder, al dat gedoe met koken hoeft voor mij ook minder.’ Mireille was daar fel op tegen. Fatima vond een middenweg verstandig. Joop zei vooral weinig, zoals altijd, maar zijn vrouw Els appte mij apart: Ik snap jou. Ik heb die avonden ook nodig.
En dat was precies het. Nodig. Sinds mijn zus drie jaar geleden overleed, zijn die avonden niet zomaar gezelligheid voor mij. Het is ritme. Bekende gezichten. Niet weer iets verliezen.
Gisteren vierden we dat onze groep dertig jaar bestaat. Het was bij ons. Ik had toch gekookt, ondanks het gedoe: runderragout, aardappelgratin, haricots verts, en die citroenkwarktaart die Hans altijd wil. Halverwege het voorgerecht tikte Kees met zijn glas.
Ik voelde meteen: nee.
‘Ik wil toch iets zeggen,’ begon hij. ‘Misschien is dit een mooi moment om af te spreken dat dit de laatste keer is dat we het zó doen. Al dat uitgebreide eten, dat gesjouw, dat consumeren… volgens mij past het niet meer. Laten we voortaan iets simpelers doen. Wandelen, vrijwilligerswerk, desnoods in het wijkcentrum. Meer open, minder besloten.’
Het werd zo stil dat ik de koelkast weer hoorde aanslaan.
Mireille legde haar vork neer. ‘Kees, meen je dit nou? Op deze avond?’
Hans keek in zijn wijn. Fatima zei zacht: ‘Je had dit ook op een ander moment kunnen bespreken.’
Ik stond op en begon borden te stapelen, veel te hard. Kees zei: ‘Zie je? Dit bedoel ik dus. Anja is hier dagen mee bezig geweest. Waarvoor? Om moe te zijn?’
Toen knapte er iets in mij. Niet met geschreeuw, juist niet. Ik zei alleen: ‘Misschien deed ik het niet om moe te worden. Misschien deed ik het uit liefde.’
Niemand zei wat.
Later, toen de rest ongemakkelijk vertrokken was met bakjes overgebleven taart en half afgemaakte flessen wijn, zaten Kees en ik nog aan tafel. De kaarsen waren op, er lag jus op het tafellaken, en ik was leger dan ik had verwacht.
‘Ik wil je niet kwijt,’ zei hij eindelijk. ‘Maar ik wil mezelf ook niet kwijtraken in gewoontes waar ik niets meer bij voel.’
Dat begreep ik. En dat maakte het ingewikkelder, niet makkelijker.
Ik zei: ‘En ik wil niet in een leven terechtkomen waarin alles functioneel moet zijn. Alsof gezelligheid alleen nog mag als het efficiënt is.’
Vanmorgen hebben we koffie gedronken zonder ruzie. Voor het eerst in weken. We hebben afgesproken dat we niet meer namens de hele groep gaan praten. Kees mag best eens een wandeling organiseren. Ik mag ook gewoon blijven koken als ik daar gelukkig van word. En misschien is het echte probleem niet wandelen of dineren, maar dat we allebei bang zijn voor wat ouder worden met ons doet.
Ik weet nog niet hoe het met de vriendengroep verdergaat. Misschien verandert er meer dan me lief is. Maar ik zie nu ook dat vasthouden en loslaten allebei iets van rouw in zich hebben.
Misschien is vriendschap op onze leeftijd niet dat alles hetzelfde blijft, maar dat je eerlijk durft te zeggen wat je nodig hebt zonder de ander weg te duwen. Hoe zouden jullie hiermee omgaan: meebewegen met je partner, of juist bewaken wat jarenlang houvast heeft gegeven?