Ik zat met trillende handen aan de bestuurstafel toen onze beste vriendin zei dat wij maar een stap terug moesten doen
‘Misschien is het beter als jullie een stap terug doen.’
Ik hoorde het wel, maar het kwam toch aan alsof iemand een stoel onder me vandaan trok. We zaten in het zaaltje van het wijkcentrum in Amersfoort, met die slappe koffie in witte mokken en een schaal droge stroopwafels op tafel. Mijn man Kees keek meteen naar mij, zo’n blik van: niet nu ontploffen. Maar ik voelde mijn wangen gloeien. Tegenover ons zat Marjan, al vijftien jaar onze vriendin. We hebben samen kerstmarkten georganiseerd, taalmaatjes gekoppeld, sponsors gebeld, tafels gesjouwd, notulen gemaakt, lief en leed gedeeld. En nu zei ze, heel rustig bijna, dat wij te traag waren geworden.
Het ging om onze vrijwilligersorganisatie in de wijk. Na ons pensioen waren Kees en ik er alleen maar meer tijd in gaan steken. Drie dagen per week waren we ermee bezig. Marjan ook. Eerst werkte dat heerlijk. We kenden elkaar door en door. Als er een buurtlunch was, wist ik al hoeveel servetten zij te weinig zou bestellen, en zij wist dat Kees altijd tien minuten te vroeg de sleutel ging halen.
Maar vorig jaar veranderde er iets. De subsidie werd onzekerder, er kwamen minder jonge vrijwilligers bij en Marjan begon over ‘professionaliseren’. Dat woord alleen al. Ze had een plan voor een groot nieuw project: een wijkhub waar jong en oud samen zouden komen, met workshops, schuldhulp-inloop en digitale ondersteuning. Op zich een goed idee. Echt. Alleen wilde zij de volledige leiding, met een klein kernteam dat snel kon beslissen. Minder overleg, minder rondjes, minder ‘we kijken er volgende maand nog eens naar’.
‘We lopen vast in hoe we het altijd deden,’ zei ze steeds.
‘Of we zorgen ervoor dat iedereen mee kan praten,’ zei ik dan.
‘Ja, en daardoor gebeurt er dus niks,’ kreeg ik terug.
In het begin dacht ik: laat maar, ze is gewoon enthousiast. Maar het werd gaandeweg harder. Ze stuurde mails zonder afstemming. Ze had al met de gemeente gezeten voordat het bestuur het plan überhaupt had gezien. Vrijwilligers kwamen naar míj toe met vragen over roosters die ineens waren veranderd.
Een paar weken voor die vergadering had ik haar nog bij ons thuis aan de keukentafel gehad. Kees had appeltaart gehaald bij de Hema. Ik zei: ‘Marjan, ik herken je niet meer zo.’
Ze zuchtte. ‘Anja, ik ben niet tegen jullie. Maar jullie blijven hangen in overleg om het overleg. De wereld verandert. Mensen haken af als we niet duidelijk kiezen.’
Kees zei nog: ‘Je kunt ook vernieuwen zonder mensen opzij te duwen.’
Toen kwam het eruit. ‘Misschien moeten jullie niet alles meer zelf willen doen. Laat het project aan anderen over. Jullie tempo past gewoon niet meer.’
Ik weet nog dat ik naar die appeltaart keek en dacht: dit zegt ze dus echt.
Tijdens de bestuursvergadering moest er gestemd worden over de nieuwe koers. Marjan had haar voorstel strak voorbereid, met begroting, planning, logo-idee zelfs al. Ik moest daar ergens ook bewondering voor hebben. Dat maakte me misschien nog wel bozer. Want het was niet onzin wat ze zei. Er waren echt dingen blijven liggen. We vergaderden soms eindeloos. We hadden ook te lang vastgehouden aan ‘zo doen we het hier altijd’.
Maar wat mij dwarszat, was de toon. Alsof ervaring ineens hetzelfde was als lastigheid. Alsof de organisatie alleen gered kon worden als wij minder zichtbaar werden.
Toen iedereen zat, begon Marjan. Duidelijk, snel, zonder veel omwegen. Daarna kreeg ik het woord. Mijn stem trilde in het begin.
‘Ik ben niet tegen verandering,’ zei ik. ‘Maar wel tegen een manier van werken waarbij besluiten al genomen lijken voordat de rest iets heeft kunnen zeggen. We zijn een vrijwilligersorganisatie, geen bedrijf met een directeur.’
Marjan keek me strak aan. ‘En toch moeten we keuzes maken. Anders bestaan we over twee jaar niet meer.’
Kees schoof zijn bril omhoog. ‘Dat kan. Maar als de prijs is dat mensen zich niet meer gehoord voelen, zijn we ook iets kwijt wat juist de kracht van deze club was.’
Er viel zo’n stilte waarin je de koelkast in de gang hoort brommen.
Toen zei een jongere vrijwilliger, Samira: ‘Mag ik iets zeggen? Ik snap Marjan wel. Ik ben hier net begonnen en soms duurt alles echt heel lang. Maar ik snap Anja en Kees ook. Het voelt nu alsof er over mensen heen gewalst wordt.’
Dat was precies het pijnlijke midden waar we in zaten.
Er werd uiteindelijk gestemd. Het plan van Marjan werd aangenomen, maar niet in de vorm die zij wilde. Er kwam geen alleenrecht voor een klein kernteam; er kwam een projectgroep met duidelijke mandaten én terugkoppeling naar het bestuur. Minder log dan vroeger, minder strak dan Marjan had bedacht.
Na afloop bleef niemand lang hangen. Geen napraatje, geen ‘zullen we nog even opruimen’. Marjan stopte haar papieren in haar tas en zei alleen: ‘Ik hoop dat we hier mee verder kunnen.’
Buiten op de parkeerplaats, naast de fietsenrekken, begon ik ineens te huilen. Niet groots, meer dat vernederende stille huilen waar je neus rood van wordt. Kees sloeg een arm om me heen en zei: ‘Volgens mij gaat dit niet alleen over die organisatie.’ En hij had gelijk. Het ging ook over ouder worden. Over merken dat anderen ongeduldig worden van jouw zorgvuldigheid. Over moeten erkennen dat jouw manier niet meer automatisch de beste is.
Een week later heb ik Marjan gebeld. Niet omdat alles over was, maar omdat ik niet wilde eindigen in gekwetste trots. Ik zei: ‘Ik wil best taken loslaten, maar niet alsof ik afgeschreven ben.’
Zij bleef lang stil en zei toen: ‘Dat was niet eerlijk van mij. Maar ik voelde me al maanden trekken aan een stilstaande kar.’
Sindsdien doen Kees en ik een stap terug, maar op onze voorwaarden. Ik ben gestopt met de dagelijkse coördinatie en begeleid nu alleen nog nieuwe vrijwilligers. Kees doet nog de planning van de maandelijkse uitgifte, niet meer alles tegelijk. Marjan trekt het nieuwe project. We drinken niet meer elke vrijdag samen koffie zoals vroeger. Soms gaat het stroef, soms verrassend goed. Vriendschap na een machtsstrijd wordt nooit meer helemaal zorgeloos, denk ik.
Ik heb geleerd dat meebewegen niet hetzelfde is als jezelf laten wegduwen, maar ook dat vasthouden aan je plek soms gewoon angst is met een nette naam. Hebben jullie weleens meegemaakt dat vriendschap botste met verandering, en wanneer weet je dan of je moet blijven of loslaten?