‘Jullie appartement staat hiernaast al zo goed als vast,’ zei hij — en op dat moment voelde ik dat ik moest kiezen tussen mijn beste vriend en mijn vrouw
‘Nee, Henk, dat meen je toch niet?’ hoorde ik Marijke zeggen, met die vlakke stem van haar waar ik inmiddels banger voor ben dan voor geschreeuw. We zaten bij Kees en Anita aan de eettafel in Amersfoort, de koffie was nog niet eens op, en Kees schoof ineens een plattegrond over tafel alsof hij een leuke verrassing had. ‘Kijk,’ zei hij, ‘jullie komen hier, naast ons. Twee appartementen op dezelfde gang. Alles gelijkvloers, lift erbij, zorg dichtbij als het ooit nodig is. We hebben het alvast laten reserveren, want anders ben je te laat.’
Ik voelde direct dat het misging. Anita glimlachte nog, een beetje gespannen. Kees keek trots, bijna ontroerd. En Marijke trok haar hand weg van haar koffiekopje alsof die te heet was geworden.
‘Zonder het eerst met ons te bespreken?’ zei ze.
Kees haalde zijn schouders op. ‘Joh, bespreken… We kennen elkaar al veertig jaar. Dit is toch juist mooi? Samen oud worden. Wie heeft dat nou nog?’
Wie heeft dat nou nog. Normaal had ik dat ook gezegd. Kees en ik kennen elkaar sinds onze tijd bij de gemeente. Eerst collega’s, toen vrienden, toen bijna broers. We gingen met beide gezinnen kamperen in Frankrijk, pasten op elkaars kinderen, zaten nachten in het ziekenhuis toen Anita borstkanker had, en Kees stond naast me op de crematie van mijn moeder toen ik zelf geen woord uit mijn keel kreeg. Er zijn mensen die je vrienden noemt, en mensen die in je leven gaan zitten alsof ze er altijd al hoorden. Kees en Anita waren dat laatste.
Dus toen zij vertelden dat ze hun grote huis wilden verkopen en naar een kleinschalig zorgcomplex in Ede wilden verhuizen, vond ik dat in eerste instantie nog logisch ook. Geen trap meer, alles geregeld, nog zelfstandig zolang het kan. Kees zei: ‘Je moet dit doen vóórdat het moet.’ Dat klonk verstandig. En eerlijk is eerlijk: het idee dat we bij elkaar in de buurt zouden wonen, stelde mij gerust.
Maar Marijke had al maanden iets anders in haar hoofd. Zij wilde juist weg uit onze regio. Niet eens heel exotisch, gewoon richting Zeeland of in elk geval verder van het midden van het land. Dichter bij de kust, minder afspraken, minder ‘vaste patronen’, zoals zij het noemde. Ik had daar half naar geluisterd, als ik eerlijk ben. Ik dacht steeds: dat waait wel over. We wonen al ons hele leven hier, onze kinderen zitten in Utrecht en Zwolle, de huisarts kent ons, de buren groeten ons. Waarom zou je op onze leeftijd alles omgooien?
Omdat zij dat blijkbaar al jaren wilde.
In de auto terug was het stil tot we bij Barneveld de A1 op draaiden.
‘Jij wist hiervan, hè?’ vroeg ze.
‘Niet van die reservering,’ zei ik. ‘Ik wist wel dat ze hoopten dat wij mee zouden gaan.’
‘Hopen is iets anders dan alvast een woning voor ons vastleggen.’
Ik zei niets, en dat was eigenlijk antwoord genoeg.
Thuis zette ze haar tas op het aanrecht en zei: ‘Ik voel me al jaren alsof ons leven steeds kleiner wordt. Altijd dezelfde mensen, dezelfde verjaardagen, dezelfde verhalen. En nu moet ik blijkbaar ook nog op een gang gaan wonen waar Kees elk moment kan binnenlopen?’
‘Dat doet hij toch nu ook niet zomaar?’
Ze lachte kort. ‘Nee, nu woont hij twintig minuten verderop. Dat scheelt.’
Ik werd boos, vooral omdat ik me aangevallen voelde. ‘Het gaat toch niet om Kees die “binnenloopt”. Het gaat om iets moois. Om elkaar helpen. Om niet alleen te eindigen.’
‘Ik ben jouw vrouw, Jan,’ zei ze. ‘Niet een bijlage bij jouw vriendschap.’
Die zin kwam harder binnen dan ik wilde toegeven.
De weken erna werd alles stroef. Kees appte mij bijna dagelijks. Foto’s van het complex, de binnentuin, de gemeenschappelijke ruimte waar je kon klaverjassen, de fietsenstalling. ‘Echt iets voor ons,’ schreef hij. Of: ‘Anita heeft al bedacht dat we op donderdag samen kunnen eten.’ Alsof het al rond was.
Ik reageerde steeds korter. Ondertussen werd Marijke juist stelliger. Ze had in haar eentje al bezichtigingen gepland in Goes en omgeving. Geen wilde droom meer, maar funda-tabbladen op de iPad, lijstjes met plus- en minpunten, reistijden naar de kinderen.
Toen Kees op een zondagmiddag onaangekondigd langskwam, wist ik al bij het openen van de deur dat het fout was.
‘Ik snap er niks van,’ zei hij nog voor hij zat. ‘Waarom doen jullie zo moeilijk? We vragen toch niet of jullie een nier afstaan?’
Marijke bleef staan bij het keukenblok. ‘Voor jou voelt het als gezelligheid. Voor mij voelt het alsof er over mijn leven besloten wordt.’
Kees zuchtte. ‘Dat is toch overdreven? We willen gewoon goed voor elkaar zorgen.’
‘Maar dat bepaal jij niet alleen,’ zei ze.
Ik zag Kees naar mij kijken, wachtend tot ik hem zou bijvallen zoals ik vroeger altijd deed. Dat automatische kampgevoel, mannen onder elkaar, even praktisch blijven. Alleen lukte dat ineens niet meer.
‘Je had die plek niet voor ons moeten reserveren,’ zei ik.
Hij trok wit weg. ‘Dus jij kiest haar kant?’
Dat vond ik misschien nog wel het pijnlijkste moment. Alsof er twee kanten waren en ik een team moest kiezen. Alsof mijn huwelijk en mijn vriendschap tegenover elkaar stonden in plaats van naast elkaar.
‘Ik kies geen kant,’ zei ik, maar het klonk slap.
Kees stond op. ‘Nou, zo voelt het wel. Ik had gedacht dat wij elkaar beter kenden.’
Nadat hij weg was, heb ik voor het eerst echt met Marijke gepraat zonder mezelf direct te verdedigen. Niet om haar van gedachten te veranderen, maar om te begrijpen wat ze bedoelde. Ze vertelde dat ze de laatste jaren steeds vaker had gevoeld dat we leefden op de automatische piloot, ook in onze vriendschappen. Dat Kees veel bepaalde, dat ik daarin meeging, en dat zij de lieve vrede bewaarde. ‘Ik wil niet mijn laatste actieve jaren doorbrengen in een omgeving die veilig is voor iedereen behalve voor mezelf,’ zei ze.
Dat deed pijn, omdat ik ineens zag hoeveel ik voor haar had ingevuld. Loyaliteit, dacht ik altijd, was blijven. Niet loslaten. Niet veranderen wat goed was. Maar misschien is loyaliteit aan je partner juist dat je durft te bewegen als die ander al te lang heeft stilgestaan voor jou.
Ik ben daarna alleen bij Kees langsgegaan. We hebben aan zijn nieuwe tuintafel gezeten, tussen de verhuisdozen. Hij was gekwetst, en eerlijk gezegd ook bang. Dat zei hij pas na een tijd. ‘Ik dacht gewoon… als we dicht bij elkaar zitten, hoef ik minder bang te zijn voor wat er nog komt.’
Toen begreep ik hem beter. Dit ging niet alleen over gezellig samen oud worden. Het ging ook over verlies, over aftakeling, over de angst dat de kring steeds kleiner wordt.
‘Ik laat je niet vallen,’ zei ik. ‘Maar ik ga niet naast je wonen omdat ik bang ben.’
Hij knikte, zonder me aan te kijken. ‘Anita zei al dat jij dit zou zeggen als je eenmaal echt naar Marijke luisterde.’
Dat was typisch Anita. Minder luid, vaker raak.
We hebben uiteindelijk geen appartement in Ede genomen. We wonen nu sinds vier maanden in een dorp bij Zierikzee. Kleiner huis, veel wind, alles nog wennen. Ik mis Kees meer dan ik had gedacht. Soms voel ik me schuldig als hij appt over een borrel in de gezamenlijke ruimte waar wij eigenlijk ook hadden kunnen zitten. Maar als ik Marijke zie lopen naar de dijk, met haar jas half dicht en haar gezicht eindelijk open, weet ik dat ik te lang heb gedacht dat trouw hetzelfde is als blijven waar je bent.
Vriendschap die alleen overeind blijft als je naast elkaar woont, was misschien toch minder sterk dan ik wilde geloven. Hebben wij hier goed aan gedaan, of had ik meer moeten vasthouden aan een vriendschap van veertig jaar?