Ik schaamde me kapot toen ik tegen mijn vrouw zei dat ik onze vrienden met rust wilde laten, juist nu hij dementie krijgt
‘Heb jij dit gedaan?’ vroeg ik, met mijn telefoon in mijn hand en mijn stem veel scherper dan ik van plan was. Ik stond gewoon in onze keuken in Amersfoort, naast de fruitschaal en de halflege pot pindakaas, maar ik voelde me alsof de grond onder me wegzakte. Op mijn bankapp zag ik dat er 1.500 euro van onze spaarrekening was gehaald. De rekening waar wij altijd ons vakantiegeld op zetten. Mijn vrouw Marijke keek niet eens geschrokken. Ze zette twee mokken koffie op tafel en zei alleen: ‘Ja. Voor Anneke en Kees.’
Ik weet nog dat ik meteen boos werd, maar ook iets anders voelde waar ik me nog het meest voor schaamde: opluchting dat het er eindelijk uit was. ‘Dit gaat zo niet langer,’ zei ik. ‘Alles draait alleen nog maar om hen.’
Marijke ging zitten, vouwde haar handen om haar mok en keek me aan alsof ik iemand was die ze even niet herkende. ‘Kees raakt de weg kwijt, Jan. Anneke trekt het amper. Waar hebben we het over?’
Waar we het over hadden, was eigenlijk niet alleen geld. Het was alles daarvoor.
Wij kennen Anneke en Kees al sinds eind jaren tachtig. Onze kinderen zaten samen op zwemles, we gingen jarenlang op zaterdag bij elkaar eten, de een maakte stoofvlees, de ander het toetje. We zijn samen naar Drenthe geweest, een keer naar de Ardennen, later zelfs met een gehuurde camper door Noord-Frankrijk. Het was altijd makkelijk met hen. Veel lachen, beetje mopperen op de file bij Utrecht, kaartje leggen, fles wijn open. Gewoon vertrouwd.
Tot Kees veranderde. Eerst klein. Hij stelde dezelfde vraag twee keer. Vergat dat hij zijn jas al aanhad. Raakte zijn auto kwijt op het parkeerdek bij het Meander. We maakten er nog grapjes over, ook hijzelf. ‘Mijn bovenkamer heeft een update nodig,’ zei hij dan. Maar een jaar later was het niet grappig meer. Hij werd stiller, soms juist kribbig. Anneke belde vaker. Of Marijke even mee kon naar een afspraak in het ziekenhuis. Of ik een keer bij Kees kon blijven als zij boodschappen deed, want alleen laten vond ze spannend.
In het begin deed ik dat zonder aarzelen. Natuurlijk. Daar zijn vrienden voor. Maar langzaam verdween alles wat licht was uit het contact. Als we langskwamen, zat Kees te zoeken naar woorden en zat Anneke op het punt van huilen. Als de telefoon ging, verstarde Marijke al. ‘Het zal Anneke wel zijn.’ En meestal was dat ook zo.
‘Jan, zou jij woensdag met Kees naar de kapper kunnen?’
‘Marijke, mag ik even mijn hart luchten? Ik heb vannacht geen oog dichtgedaan.’
‘Zouden jullie zondag kunnen komen? Hij is zo onrustig.’
Ik begon me erop te betrappen dat ik zuchtte als de naam van Anneke op het scherm kwam. Dat vond ik afschuwelijk van mezelf. Maar het was er wel.
Op een avond, na weer zo’n etentje waarbij niemand echt at en alles draaide om medicatie, herhaling en angst, zei ik in de auto: ‘Ik trek dit niet meer op deze manier.’
Marijke keek uit het raam. ‘Alsof zij hier wél voor kiest.’
‘Dat zeg ik niet. Maar wij hebben ook nog een leven.’
‘Dus wat stel jij voor? Minder opnemen? Minder langsgaan? Lekker laten stikken?’
Dat was het probleem met dit onderwerp. Alles klonk meteen hard, ook als ik het niet hard bedoelde.
De weken erna werd het grimmiger tussen ons. Marijke ging steeds vaker alleen naar Anneke. Kwam dan moe en stil terug. Ik zei dat ze zichzelf aan het wegcijferen was. Zij zei dat ik alleen nog maar dacht aan rust, aan golfen, aan onze geplande week Texel alsof dat heilig was.
En toen bleek dus dat ze zonder overleg geld had overgemaakt. Anneke had eindelijk via via iemand gevonden die een paar uur per week bij Kees kon zijn, zodat zij naar de fysio en de supermarkt kon zonder paniek. De eigen bijdrage en extra uren vielen tegen. Marijke had gezegd: ‘Wij helpen wel even.’
‘Wij?’ zei ik in de keuken. ‘Jij hebt dat besloten. Niet wij.’
‘Moet ik dan eerst toestemming vragen om vrienden te helpen?’
‘Nee, maar wel als het van óns geld is. En als het weer betekent dat onze plannen, onze tijd en onze energie naar hen gaan.’
Ze werd toen echt kwaad. ‘Jij doet net alsof zij een last zijn. Alsof vriendschap alleen leuk mag zijn zolang er wijn en vakantiehuisjes zijn.’
Die opmerking kwam binnen, juist omdat er iets waars in zat waar ik niet naar wilde kijken. Ik riep terug dat zij zich gedroeg alsof zij Anneke moest redden, terwijl niemand dit kan oplossen. Daarna sloeg ik de keukendeur iets te hard dicht en ben ik een uur gaan lopen, zonder jas, langs de Eem in miezerregen. Heel kinderachtig voor een man van 62.
Twee dagen later belde Anneke zelf. Ik nam bijna niet op.
‘Jan,’ zei ze, ‘ik denk dat ik iets moet rechtzetten. Ik heb Marijke niet om geld gevraagd. Ik heb alleen gehuild, geloof ik. Ze bood het zelf aan. En eerlijk… ik weet niet eens of ik het moet aannemen.’
Ik hoorde aan haar stem hoe moe ze was. Niet alleen moe van zorgen, maar ook van afhankelijk worden. Dat vond ik misschien nog confronterender dan Kees’ vergeetachtigheid. We waren altijd vier gelijkwaardige mensen geweest. Nu was die balans weg, en ik had daar vooral tegen gevochten omdat ik hem terug wilde, terwijl iedereen diep vanbinnen al wist dat dat niet meer kon.
Die avond heb ik met Marijke gepraat zonder meteen in de verdediging te schieten. Dat lukte niet perfect, maar beter dan ervoor. Ik zei: ‘Ik wil Kees en Anneke niet laten vallen. Maar ik kan niet doen alsof ons leven hier helemaal in mag verdwijnen. Dan word ik hard, en dat wil ik ook niet.’
Zij knikte uiteindelijk. Voor het eerst hoorde ik ook haar grens. ‘Ik hoef het niet allemaal op te lossen,’ zei ze zacht. ‘Maar ik wil later niet denken dat we wegkeken toen het moeilijk werd.’
We hebben toen iets heel onromantisch maar nuttigs gedaan: afspraken gemaakt. Niet meer automatisch elke week. Eén vaste avond in de twee weken samen eten of helpen. Alleen in noodgevallen tussendoor. Geen geld meer zonder overleg, maar wel samen kijken wat wél kan. En we hebben Anneke geholpen om via de casemanager dementie en de gemeente meer ondersteuning te regelen, in plaats van steeds zelf alles op te vangen.
Het is nog steeds niet licht. Kees wordt niet beter, Anneke heeft nog steeds zware dagen, en soms voel ik nog steeds weerstand als de telefoon gaat. Maar ik zie nu ook dat mijn verlangen naar ‘vroeger’ eigenlijk rouw was, vermomd als irritatie.
Vriendschap blijkt op onze leeftijd niet alleen te gaan over leuke herinneringen, maar ook over grenzen durven trekken zonder weg te lopen. Ik leer dat trouw en zelfbehoud allebei waar kunnen zijn, al schuurt dat soms pijnlijk. Hoe zouden jullie hiermee omgaan: wanneer help je uit loyaliteit, en wanneer moet je eerlijk zijn over je eigen grens?