Na dertig jaar vriendschap voelde ik me ineens overbodig in onze eigen vriendengroep
“Nou, dan boeken we in juni twee weken Puglia. Ik zet vanavond de aanbetaling vast, anders stijgen de prijzen weer.” Ik sta nog met mijn koffiekop in mijn hand als dat appje van Kees binnenkomt. In onze groepsapp. Alsof het allang besloten is. Alsof we met z’n achten één portemonnee en één agenda hebben.
Ik voelde meteen die bekende irritatie in mijn borst. Niet eens alleen om die reis. Vooral om die toon. Alsof mijn mening er al maanden niet meer toe deed en ik dat nu eindelijk niet meer weg kon lachen.
“Heb jij hier iets over gezegd?” vroeg ik aan mijn man, Rob.
Hij keek op van de krant. “Nee, maar Kees bedoelt het goed. Hij regelt graag dingen.”
“Regelen is iets anders dan bepalen,” zei ik. Ik hoorde zelf dat mijn stem scherper was dan normaal.
Rob zuchtte. Niet geïrriteerd, meer moe. “An, alsjeblieft. We kennen elkaar al meer dan dertig jaar. Maak er niet meteen iets groots van.”
Daar zat precies mijn pijn. Voor hem was het iets kleins dat ik groter maakte. Voor mij was het de optelsom van een heel jaar.
Wij zijn met vier stellen al sinds de jaren negentig bevriend. Eerst via de tennisclub, later ook etentjes, museumdagen, een wandeling op zondag, eens per maand vast iets samen. Altijd gezellig, altijd een beetje plagerig, altijd gelijkwaardig. Iedereen kon iets voorstellen. De ene keer gingen we naar Leiden, de andere keer naar de Veluwe, dan weer gewoon pannenkoeken eten na een fietstocht. Niks ingewikkelds.
Tot Kees vorig jaar met pensioen ging. In het begin gunden we hem die nieuwe energie. Hij had ineens tijd, maakte Excels voor uitjes, stuurde links, belde restaurants. “Scheelt jullie weer nadenken,” grapte hij dan. We lachten erom.
Maar langzaam was er geen ruimte meer voor iets anders. Als ik zei: “Zullen we gewoon een keer naar het Zuiderzeemuseum?” dan kwam Kees direct met: “Nee joh, dat is in de herfst veel leuker, ik heb nu al iets beters.” Als Rob opperde om weer eens te gaan wandelen op de Utrechtse Heuvelrug, zei hij: “Daar is het veel te druk, ik heb al een route in Zuid-Limburg uitgezocht.” Zelfs de data lagen ineens vast voordat iemand gereageerd had.
En de rest liet het gebeuren. Niet uit kwaadwillendheid, denk ik. Gemak is ook verleidelijk. Marga, zijn vrouw, zei vaak: “Kees vindt dat nu eenmaal leuk.” Els zei een keer lachend: “Heerlijk toch, een gratis activiteitencommissie.” Iedereen bedoelde het luchtig. Alleen ik voelde me steeds kleiner worden.
Een paar maanden terug, bij een lunch in Amersfoort, zei ik er iets van. Heel normaal, vond ik zelf. “Misschien is het goed als we voortaan weer even overleggen voordat er geboekt wordt.”
Kees legde zijn mes neer en zei: “Maar er wordt toch overlegd? Jullie kunnen altijd nog afzeggen.”
Dat kwam bij mij hard aan. Alsof meedoen of wegblijven de enige opties waren. Alsof inspraak iets lastigs was geworden.
Rob kneep toen onder tafel even in mijn hand, zo’n gebaar dat moest sussen. In de auto terug zei hij: “Je had wel een punt, maar bij Kees moet je het niet zo brengen. Dan voelt hij zich aangevallen.”
“En hoe moet ík het dan brengen? Zó dat iedereen zich prettig voelt behalve ik?” vroeg ik.
Hij zei niets meer.
Dat appje over Puglia was voor mij de druppel. Twee weken ook nog. In juni. Dure vlucht, huurauto’s, “authentieke masseria” erbij. Alsof iedereen maar mee kon en wilde. Ik typte eerst drie boze versies en wiste ze allemaal. Uiteindelijk stuurde ik: “Voor we iets boeken, lijkt het me fijn als we eerst samen bespreken of dit qua budget en bestemming voor iedereen past. Anders slaan Rob en ik deze keer over.”
Binnen twee minuten ontplofte de app niet, maar dat lauwe, nette soort spanning waar ik inmiddels nog beroerder van word.
Marga: “Wat jammer dat het zo voelt. Kees doet alleen z’n best.”
Els: “Moeten we hier nou zo moeilijk over doen?”
Jan: “Laten we de sfeer goed houden mensen.”
Kees zelf: “Als er geen initiatief genomen wordt, gebeurt er niks. Maar voel je vrij om niet mee te gaan natuurlijk.”
Ik las het hardop voor in de keuken. Rob stond de vaatwasser in te ruimen en zei eerst niets. Dat vond ik bijna erger dan wanneer hij Kees direct gelijk had gegeven.
“Zeg nou eens eerlijk,” zei ik. “Vind jij echt dat ik onredelijk ben?”
Hij deed de vaatwasser dicht en leunde ertegenaan. “Nee. Ik vind alleen dat het allemaal zo op scherp komt te staan. En ik ben bang dat als wij nu afhaken, het nooit meer wordt zoals het was.”
“Maar het ís al niet meer zoals het was,” zei ik. En toen schoot ik vol, waar ik zelf nog het meest van baalde. “Ik voel me een figurant, Rob. Alsof ik er alleen ben om aan te schuiven bij plannen die een ander al heeft bedacht. En jij vraagt me vooral om het gezellig te houden.”
Dat kwam binnen. Dat zag ik meteen aan zijn gezicht. Rob is geen man van grote woorden, maar hij is ook niet hard. Eerder conflictmijdend. Zeker met mensen met wie we zo lang optrekken.
Die avond belde hij Kees. Gewoon vanaf de eetkamertafel, zonder naar boven te lopen. Ik hoorde zijn helft van het gesprek.
“Nee, daar gaat het niet om… jawel, we waarderen heus dat je veel regelt… maar het gaat om de manier waarop… nee, afzeggen is niet hetzelfde als meebeslissen… Kees, luister nou even…”
Hij klonk nerveus, maar ook vastberaden. Na twintig minuten hing hij op.
“En?” vroeg ik.
Hij haalde diep adem. “Hij vindt dat jij overal iets achter zoekt. Maar ik heb gezegd dat we niet meegaan met die reis en dat we eerst als groep moeten bespreken hoe we dit voortaan doen.”
Ik voelde opluchting, maar ook verdriet. Omdat het blijkbaar zó ver moest komen voordat hij echt naast me ging staan.
Een week later zaten we met z’n allen bij Jan en Els in de tuin, met koffie en van die droge boterkoek van de supermarkt. Het gesprek was ongemakkelijk, Nederlands ongemakkelijk: eerst over het weer, de kleinkinderen, wegwerkzaamheden op de A2. Tot Jan eindelijk zei: “Zullen we het er dan maar gewoon over hebben?”
Dat hebben we gedaan. Niet mooi, niet soepel, wel eerlijker dan in lange tijd. Kees gaf toe dat hij sinds zijn pensioen houvast haalde uit organiseren. “Anders zijn mijn dagen zo leeg,” zei hij, en toen klonk hij voor het eerst niet bazig maar gewoon kwetsbaar. Ik snapte hem ineens beter. Maar ik zei ook dat zijn behoefte aan grip niet mocht betekenen dat anderen zichzelf kwijtraakten. Rob zei dat hij te lang had gedacht dat stilte hetzelfde was als vrede. Dat vond ik misschien nog wel het belangrijkste wat hij die middag zei.
We hebben geen wonderbaarlijke verzoening gehad. Puglia ging niet door. De sfeer was weken daarna wat stroef. Maar vorige maand gingen we met z’n allen gewoon naar Museum Voorlinden, een voorstel van mij, en daarna kibbeling eten in Wassenaar. Niet iedereen was het overal over eens, en juist dat voelde eigenlijk gezond.
Ik heb geleerd dat je in oude vriendschappen niet alleen loyaal moet zijn aan het verleden, maar ook aan wat je nú voelt. En Rob en ik hebben ontdekt dat harmonie soms te duur wordt als die betaald wordt met je eigen stem. Hoe zouden jullie hiermee omgaan: kies je voor de groep, of trek je een grens als je je steeds minder gezien voelt?