Ik stelde voor om onze vaste vriendenavond zonder hem voort te zetten, en mijn man keek me aan alsof ik onze hele vriendschap had verraden
‘Dus jij wilt Henk gewoon niet meer erbij hebben?’
Mijn man zei het niet eens hard, maar ik voelde het als een klap. We stonden samen in de keuken, de borden nog op het aanrecht, de geur van draadjesvlees hing er nog. In de woonkamer lagen de kussens scheef op de bank en ik hoorde de vaatwasser zoemen. Het was half elf en ik was kapot. Niet van het koken, niet van het bezoek, maar van de hele avond op mijn tenen lopen.
‘Dat zeg ik niet,’ zei ik. ‘Ik zeg dat dit zo niet meer gaat.’
Kees trok de theedoek strak tussen zijn handen. ‘Henk is al bijna veertig jaar onze vriend.’
‘Dat weet ik ook wel, Kees.’
Maar ik hoorde aan mijn eigen stem dat ik al te lang had geslikt.
Wij zijn allebei midden zestig, net een paar jaar met pensioen, en al sinds de jaren negentig eten we op donderdag met dezelfde club. Eerst met jonge kinderen erbij, later met pubers die boven pizza aten, en de laatste jaren weer gewoon met z’n zessen aan tafel. Altijd bij iemand anders. Soep, hoofdgerecht, koffie, sterke verhalen, een vaste grap over wie de oudste kaas meeneemt. Het was ons ritme.
Tot Henk begon te veranderen.
In het begin was het klein. De naam van een kleinkind kwijt, drie keer hetzelfde verhaal over de caravan in Ommen. We lachten het weg. ‘Ach, dat hebben we allemaal wel eens.’ Maar de laatste maanden werd het anders. Hij onderbrak iedereen. Hij vroeg aan Els, die net had verteld dat haar zus borstkanker had: ‘Werk jij eigenlijk nog op dat reisbureau?’ Els werkt al twaalf jaar niet meer. Vijf minuten later vroeg hij het opnieuw.
Vanavond was het weer raak. Jan vertelde over zijn heupoperatie en Henk zei ineens: ‘Jij stelt je ook altijd aan.’ Het was zo bot dat iedereen stilviel. Henk keek zelf verbaasd, alsof hij niet snapte waarom. Daarna begon hij voor de vierde keer over die keer dat we met z’n allen naar Texel waren en hij de boot bijna had gemist. Hij lachte al voordat de clou kwam. Niemand lachte mee.
Ik schonk koffie in en zag hoe Els naar haar schoteltje keek. Jan kneep even in zijn servet. Mijn hele lijf stond strak. Je probeert de avond te redden, nieuwe onderwerpen aan te snijden, oogcontact te vermijden als Henk weer afdwaalt. Tegen de tijd dat iedereen weg is, ben ik leeg.
In de auto terug van een etentje twee weken eerder had ik al gezegd: ‘Misschien moeten we de groep kleiner maken als Henk erbij is. Gewoon rustiger. Niet zo’n volle tafel, niet zoveel prikkels.’
Kees had toen meteen gereageerd. ‘Dat is dus uitsluiten in nette woorden.’
Vanavond zei ik het weer, maar scherper. Misschien te scherp.
‘Waarom doen we niet twee dingen naast elkaar?’ zei ik. ‘Een keer met Henk en Marijke rustig lunchen of vroeg eten, en die vaste donderdag af en toe weer met de oude groep. Zonder spanning. Zonder dat iedereen de hele tijd hoeft op te letten.’
Kees keek me aan alsof hij me niet herkende. ‘Dus als iemand ziek wordt, zetten we hem apart? Is dat jouw idee van vriendschap?’
‘Mijn idee van vriendschap is óók eerlijk zijn over wat het met iedereen doet.’
Hij zuchtte. ‘Het gaat niet om gezelligheid alleen.’
‘Nee,’ zei ik, en toen kwam alles eruit. ‘Maar ik ben geen hulpverlener, Kees. Ik ben zijn vriendin. En ik merk dat ik daarna slecht slaap. Dat ik opzie tegen donderdag. Dat ik bang ben voor wat hij nu weer zegt. Mag dat ook ergens meetellen?’
Hij zei even niets. Alleen: ‘Ik vind dit hard.’
Dat vond ik zelf eigenlijk ook. En toch was het niet uit hardheid gezegd. Juist niet. Henk was vroeger degene die altijd als eerste klaarstond. Toen Kees zonder werk zat, heeft Henk zijn cv doorgestuurd naar iemand uit zijn netwerk. Toen mijn moeder overleed, stond hij met een pan nasi voor de deur omdat ik “vast geen zin had om te koken”. Ik vergeet dat niet.
Maar vriendschap verandert ook als iemand verandert. Dat is de zin die ik lang niet durfde te denken, laat staan uitspreken.
Een paar dagen later belde Marijke, zijn vrouw. Ik dacht eerst dat Kees haar had verteld over onze ruzie. Mijn maag draaide om.
‘Heb je even?’ vroeg ze.
We hebben ruim een uur gepraat. Niet netjes, niet beheerst, gewoon eerlijk. Ze zei: ‘Ik ben ook doodmoe na zo’n avond. Ik probeer Henk in de gaten te houden, hem niet te corrigeren waar hij bij zit, tegelijk wil ik normaal doen. Maar ik zie ook dat het voor jullie lastig is.’
Ik ging aan de keukentafel zitten en keek naar de regen in de tuin. ‘Ik voelde me er schuldig over dat ik dat dacht.’
‘Ik ook,’ zei ze. ‘Maar schuldig zijn helpt niemand.’
De week daarop zijn we met z’n vieren gaan wandelen in het park, zonder de hele groep. Henk was rustiger. Minder geprikkeld. Hij bleef wel dingen herhalen, maar het was overzichtelijker. Na afloop zei Marijke zacht: ‘Dit is voor hem eigenlijk fijner.’
Later hebben we het met de rest besproken. Niet in grote woorden als verraad of uitsluiting, maar gewoon zoals het was. Dat we de donderdag niet helemaal wilden opgeven, maar ook niet wilden doen alsof alles nog hetzelfde was. Jan zei: ‘Misschien is aanpassen óók trouw blijven.’ Zelfs Kees zweeg toen lang voordat hij knikte.
We hebben nu niet meer elke week met z’n zessen uitgebreid aan tafel. Soms lunchen we klein met Henk en Marijke. Soms is er een gewone donderdag met de anderen. Het schuurt nog steeds. Er is geen nette oplossing die geen pijn doet.
Ik heb geleerd dat loyaliteit niet altijd betekent dat je alles blijft doen zoals je het altijd deed. Soms betekent het dat je eerlijk erkent wat nog wél kan, en wat niet meer.
Ik worstel nog steeds met de vraag of ik te vroeg aan mezelf dacht, of juist te laat. Hoe zouden jullie hiermee omgaan als een dierbare vriend langzaam verandert en de vriendschap daardoor ook verandert?