Wat als je alleen overblijft? Mijn verhaal over veerkracht, isolatie en het gewicht van eigen kracht
‘Dus je belt me om geld?’ de stem van mijn moeder trilt, ergens tussen teleurstelling en ongeloof, alsof hulp vragen zelf een zonde is. Het is laat, veel te laat, en toch zat ik daar, in mijn kil verlichte keuken in Amsterdam-Noord, met de telefoon krampachtig tegen mijn oor. Mijn vingers beefden. ‘Nee, mam, ik bel omdat—’ En ineens stokte mijn stem, want waarom belde ik eigenlijk? Had ik echt alleen maar hulp nodig, geld? Of was ik zo wanhopig op zoek naar íémand die zou zeggen dat het niet erg is als ik faal?
Mijn moeder was nooit zo iemand geweest. “Je moet leren op eigen benen te staan, Sanne,” zei ze altijd. Alsof dat is wat het leven een mens constant vraagt. De afwas in de gootsteen, het schelle licht, één sok in de kattenmand. Alles voelt onaf. Mijn hartslag hamert in mijn borst, terwijl ik haar zwijgen aan de andere kant hoor. De verbinding wordt slechter als ze haar adem inhoudt.
Na het zoveelste sollicitatiegesprek zonder vervolg, na het nieuws dat mijn contract bij het callcenter niet verlengd kon worden, voelde ik me uitgeblust. De pandemie had ons allemaal al van het pad geslagen, maar terwijl anderen langzaam hun leven herpakten, bleef ik drijven in onzekerheid. Iedereen leek rustig verder te gaan; familie, vrienden. Ze oordeelden niet hardop, maar hun vragen prikten dwars door mijn schijnbare kalmte.
‘Je hebt toch een studie gevolgd? Waarom vind jij dan geen vaste baan?’ vroeg mijn oudere broer Jeroen tijdens het vrieskou-diner van afgelopen Kerst, terwijl hij zijn derde glaasje rode wijn al ophad. ‘Iedereen moet gewoon eens even dóórpakken, weet je?’ Daarbij keek hij naar mij, zacht maar messcherp. Als ik iets niet wilde zijn, was het een teleurstelling. Maar in dat moment was ik het precies.
Soms beeldde ik me in dat er een heel klein dwarrelend steentje vanaf de dijk in Durgerdam langzaam het ijskoude water raakte; de rimpels zouden zich verspreiden tot aan mijn voordeur. Maar niemand merkte het. Mijn paniek, mijn zorgen — het was allemaal onzichtbaar, verdronk in die enorme Nederlandse kalmte, alsof stilte en afstand vanzelfsprekend zijn.
Weet je wat gek is? Je kan weken doorzetten op adrenaline en koffie, tot plots alles in je stort bij het horen van één woord: ‘Nee.’ De afwijzing van de baan bij de bibliotheek voelde als de laatste schop. Ik hing op bij mam zonder antwoord, keek naar de lege glazen op de eettafel — allemaal restanten van mezelf.
Ik denk terug aan wat ze vroeger zei: “In Nederland red je jezelf, daar zijn we goed in.” Maar ik wilde gewoon even niet meer sterk zijn. Ik wilde niet de Sanne zijn die altijd maar lacht; ik wilde iemand zijn die aan het einde van een lange dag haar hoofd op iemands schouder kan leggen en kan zeggen: “Ik trek het even niet.”
Als ik het Danone-toetje voor de derde keer in de koelkast ontdek, realiseer ik me dat ik waarschijnlijk de afgelopen dagen nauwelijks gegeten had. Niets voelt voedzaam, zelfs troosteten niet. Een appje van mijn vriend Bas verschijnt op mijn scherm: ‘Gaat het? Kom je nog naar het café vanavond of zit je weer in je hoofd?’
Ik wil typen: ik trek het niet. Het is teveel. Maar mijn vingers aarzelen. ‘Misschien morgen,’ stuur ik terug, terwijl mijn maag zich omdraait. Eigenlijk wil ik niet antwoorden, want wat als ook hij vindt dat ik, na drie weken solliciteren zonder succes, te zwak ben? Of erger nog: wat als hij gelijk heeft?
Mijn eigen denken begint me tegen te werken. Uiteindelijk ga ik onderuit op de bank, met een kleed tot aan mijn kin. De regen klettert tegen het raam. Ik probeer mijn ademhaling onder controle te krijgen. Mam stuurt uiteindelijk een kort sms’je—’Doe rustig aan.’
Als kind was het leven simpeler. We fietsten met z’n allen naar Zandvoort, deelden een cola op het strand. Niemand vroeg of je het allemaal wel aankon. Nu, jaren later, lijk ik gevangen in een cultuur waarin kwetsbaarheid zwakte betekent. Maar niemand toont zijn kaarten; iedereen doet of het ze prima vergaat. Ik wil soms schreeuwen: “Waarom zegt niemand dat het zwaar is?”
Zondagmorgen. Mijn voorraad geld is bijna op. De druk in mijn borst groeit, samen met de gedachte dat ik alles verkeerd doe. Mijn buren — een echtpaar van in de zeventig — groeten vriendelijk als ik de trap afloop. “Alles goed, Sanne?”
Op dat moment voel ik de tranen prikken.