Na dertig jaar vaste prik zeiden onze vrienden ineens dat ik niet meer in het plaatje paste

“Doe eens normaal, Marijke, we zijn hier niet bij Buitenhof.”

Ik voelde mijn gezicht warm worden terwijl ik met de kaasschaaf nog in mijn hand naast het aanrecht stond. Iedereen lachte een beetje ongemakkelijk, behalve ik. Het was bij Kees en Anita in Houten, zoals elke tweede zaterdag van de maand, al ruim dertig jaar. Bitterballen in de oven, blokjes oude kaas op tafel, altijd dezelfde schaal met augurkjes erbij. Meestal vond ik dat vertrouwde fijn. Die avond voelde het alsof ik er ineens naast stond in mijn eigen leven.

“Ik doe toch normaal?” zei ik. “Ik vroeg alleen of we het eens ergens anders over konden hebben dan campings in Frankrijk en stijgende energieprijzen.”

Anita trok haar wenkbrauwen op. “Maar waarom moet alles altijd zwaarder? We hebben het toch gezellig zo?”

Mijn man Hans keek naar zijn glas rode wijn alsof daar een goed antwoord in zat. Dat deed pijn, meer dan die opmerking van Anita.

We kennen elkaar sinds eind jaren tachtig. Kinderen ongeveer tegelijk gekregen, samen gekampeerd, elkaars verhuizingen gedaan, op elkaars ouders gepast als iemand naar het ziekenhuis moest. We waren zo’n groep die dacht dat dit voor altijd was. En misschien was dat ook juist het probleem: alles moest blijven zoals het was.

De laatste jaren merkte ik dat ik anders naar dingen ging kijken. Sinds ik met pensioen ben, volg ik lezingen in de bibliotheek in Nieuwegein, ik lees meer, ik doe één dag per week vrijwilligerswerk bij een buurthuis waar veel jonge statushouders komen. Ik kwam thuis met verhalen, vragen, soms ook twijfel. Over wonen, over eenzaamheid, over hoe snel we oordelen. Maar in de groep was daar geen ruimte voor. Als ik iets aansneed, zei iemand al snel: “Nou, laten we het wel gezellig houden.”

Gezellig. Dat woord begon me tegen te staan.

Die avond had ik van tevoren nog tegen Hans gezegd: “Ik wil het gewoon één keer proberen. Niet ruzie maken. Alleen kijken of we elkaar ook op een andere manier kunnen spreken.”

Hij had zijn jas dichtgeritst en gezucht. “Doe het voorzichtig, Marijk. Je weet hoe zij zijn.”

Juist dat vond ik zo wrang. Ik moest voorzichtig zijn met mensen die mij al dertig jaar kenden.

Aan tafel begon het nog luchtig. Iemand over de kleinkinderen, iemand over een lekkage in de schuur. Toen ik zei dat ik in het buurthuis een Syrische jongen had gesproken die al twee jaar op een woning wachtte, en vroeg hoe zij keken naar wat er in Nederland allemaal vastloopt, werd het stil.

Kees nam een slok bier. “Waarom zou je dat hier bespreken?”

“Omdat ik benieuwd ben hoe jullie denken,” zei ik. “We kennen elkaar zo lang. Ik mis soms wat diepgang, als ik eerlijk ben.”

Daar viel het woord pretentieus niet meteen, maar het hing wel in de kamer.

Jolanda lachte kort. “Diepgang? Dus wat wij al jaren doen is niet goed genoeg?”

“Nee, dat zeg ik niet.”

“Zo komt het wel over,” zei Anita. “Alsof wij oppervlakkig zijn.”

Hans schoof op zijn stoel. “Marijke bedoelt gewoon dat—”

“Laat Hans nou niet voor me praten,” zei ik, scherper dan ik wilde.

Toen werd het echt ongemakkelijk. Je hoorde alleen nog het tikken van die ouderwetse klok in de woonkamer.

Kees zette zijn glas neer. “Weet je wat het is? Jij bent veranderd. En dat mag. Maar wij hoeven niet ineens mee in jouw… ja, hoe noem ik het… zoektocht.”

Dat woord kwam harder aan dan ik had verwacht. Veranderd. Alsof dat een verwijt was.

Op de terugweg in de auto zei Hans eerst niks. Alleen de ruitenwissers gingen heen en weer; het miezerde op de A27. Uiteindelijk zei hij: “Je had wel kunnen aanvoelen dat dit verkeerd zou vallen.”

Ik keek naar de natte lichtstrepen op het raam. “Dus ik moet maar blijven doen alsof ik genoeg heb aan een avond vol koetjes en kalfjes?”

“Zo hoef je het niet te zeggen.”

“Maar zo voelt het wel.”

Hans kneep steviger in het stuur. “Ik wil die mensen niet kwijt, Marijk. We hebben bijna ons hele leven met ze gedeeld.”

“En ik wil mezelf niet kwijtraken.”

Thuis hebben we nog lang aan de keukentafel gezeten. Geen geschreeuw, dat doen wij niet. Juist daarom sneed het zo. Hans bekende dat hij de avonden ook vaak voorspelbaar vond, maar dat hij hield van de zekerheid. Van mensen die je geschiedenis kennen zonder dat je iets hoeft uit te leggen. Ik begreep dat. Echt. Maar ik zei ook dat vriendschap voor mij geen museum is waar alles achter glas moet blijven.

De week erna stuurde Anita in onze groepsapp: “Misschien is het goed als we het voorlopig gewoon weer luchtig houden. Daar heeft iedereen meer behoefte aan.” Niemand reageerde op mij. Alleen een duimpje van twee anderen. Ik heb zeker tien minuten naar dat scherm zitten kijken.

Toen heb ik voor het eerst eerlijk teruggestuurd: “Ik gun jullie die luchtigheid. Maar ik merk dat ik niet meer kan doen alsof dat voor mij genoeg is. Dat is geen aanval, alleen de waarheid.”

Hans vond het bericht te direct, maar hij zei later ook: “Je was wel helder.” Dat was misschien het meest steunende wat hij op dat moment kon geven.

We zijn inmiddels drie maanden verder. Hans gaat soms nog alleen naar de borrelmiddag op zondag. De eerste keer voelde dat als verraad, nu niet meer. Ik ben zelf op donderdagavond aangesloten bij een leesgroep in het theatercafé in Utrecht. Heel andere mensen, andere gesprekken, soms ook irritant, soms juist inspirerend. En gek genoeg ben ik daardoor milder geworden naar onze oude vrienden. Niet omdat ik vind dat zij gelijk hebben, maar omdat ik ben gestopt met hopen dat zij iets moeten zijn wat ze niet zijn.

Laatst zei Hans, toen we samen afwasten: “Ik mis wel dat we met z’n allen waren.”

Ik zei: “Ik ook. Maar ik miste mezelf nog meer.”

Hij knikte alleen maar. En dat was genoeg.

Ik heb geleerd dat langlopende vriendschap waardevol is, maar niet als de prijs is dat je kleiner moet worden om erbij te blijven horen. Zijn jullie weleens uit een oude vriendengroep gegroeid, of vind je dat je zulke vriendschappen juist moet beschermen, ook als je zelf verandert?