Na veertig jaar vriendschap zei mijn beste vriendin: ‘We appen wel af en toe’ — en ineens wist ik niet meer wat wij nog voor elkaar betekenden

‘Dus eigenlijk zeg je gewoon dat we er straks een beetje bij hangen?’ hoorde ik mezelf zeggen, veel scherper dan ik van plan was. Mijn koffie stond nog onaangeroerd op tafel, de appeltaart was net gebracht in dat grand café aan het plein in Amersfoort, en tegenover me keek Els me aan alsof ik haar onrecht aandeed. Jan schoof ongemakkelijk met zijn lepeltje. Mijn man Kees zei niks, maar ik zag aan zijn kaken dat hij zich net zo opstelde als ik: gekwetst, en ook een beetje vernederd.

We kennen elkaar al bijna veertig jaar. Onze kinderen zaten samen op zwemles, we hebben campings in Frankrijk gedeeld, elkaars huissleutels gehad, op elkaars ouders gepast toen die slechter werden. We waren zo’n stel vrienden waarvan iedereen altijd zei: ‘Jullie horen echt bij elkaar.’ En eerlijk is eerlijk: ik geloofde dat zelf ook.

Sinds vorig jaar zijn we allemaal met pensioen. Niet tegelijk, maar wel ongeveer. In mijn hoofd zag ik die nieuwe fase eigenlijk al voor me, zonder dat ik het ooit echt had uitgesproken. Op donderdag samen koffie. Misschien een keer vrijwilligerswerk opzetten. In de zomer een paar weken weg. Kees en Jan sleutelen aan fietsen, Els en ik naar de markt of lunchen. Geen groot plan, meer een vanzelfsprekend vervolg op hoe het altijd was.

Tot Jan vorige maand belde of we even wilden afspreken, omdat ze ‘iets leuks’ te vertellen hadden. Ik dacht nog: ze hebben een vakantie geboekt. Maar Els straalde toen ze zei: ‘We hebben een camper gekocht. We willen een jaar weg. Spanje, Portugal, misschien Slovenië, gewoon kijken waar we uitkomen.’

Ik zei meteen: ‘Wat gaaf.’ En ik meende dat ook, tenminste in het begin. Maar daarna kwam dat zinnetje waar ik op vastliep. Els zei luchtig: ‘We moeten nog even kijken hoe vaak we contact hebben, maar tegenwoordig kun je gelukkig appen. We sturen wel af en toe een fotootje.’

Een fotootje.

Alsof dat de vertaling was van veertig jaar.

Kees vroeg nog rustig: ‘Wanneer gaan jullie dan?’
‘In september al,’ zei Jan. ‘Als we het doen, moeten we het nu doen. We zijn nog fit.’

Ik voelde meteen paniek, en ik vond het kinderachtig van mezelf. Alsof ik niet tegen hun vrijheid kon. Maar het zat dieper. Mijn dagen zijn sinds mijn pensioen stiller dan ik had verwacht. Minder structuur, minder mensen om je heen. Onze dochter woont in Zwolle, onze zoon in Breda, die hebben hun eigen leven. Ik had blijkbaar meer geleund op die vanzelfsprekende nabijheid van Jan en Els dan ik doorhad.

Toch hield ik me eerst in. Tot vandaag. We hadden afgesproken om ‘even goed te praten’, omdat de sfeer raar was geworden in de groepsapp. Kortaf, veel duimpjes, weinig warmte. En in dat café zei Els: ‘Ik heb het idee dat jullie ons iets kwalijk nemen, en dat vind ik lastig. We mogen toch ook een keer voor onszelf kiezen?’

Ik zei: ‘Natuurlijk mogen jullie dat. Maar doe niet alsof dit voor ons niks is.’
‘Dat doen we toch niet?’ zei Jan.
‘Nou,’ zei Kees toen eindelijk, ‘als je zegt: we appen wel af en toe, dan klinkt het wel alsof wij vooral geen last moeten zijn.’

Els zuchtte. Niet dramatisch, gewoon moe. ‘Kees, zo bedoel ik het niet. Maar we hebben veertig jaar gewerkt, voor ouders gezorgd, op kleinkinderen gepast als er weer een studiedag was. Altijd stonden anderen voorop. Ik wil niet weer in een ritme terechtkomen van vaste dagen, vaste verwachtingen, vaste gezelligheid omdat dat nou eenmaal zo gegroeid is.’

Dat kwam binnen, juist omdat ik begreep dat er waarheid in zat. Ik had die verwachtingen inderdaad. Niet omdat ik hen iets wilde afpakken, maar omdat ik dacht dat we hetzelfde wilden.

Ik vroeg: ‘Maar wat zijn wij dan voor jullie? Serieus. Als je zo makkelijk zegt: we zien wel, appen af en toe… wat betekent die vriendschap dan nog?’

Jan keek me toen voor het eerst echt recht aan. ‘Heel veel. Maar niet zó veel dat wij ons pensioen moeten inrichten naar wat voor jullie prettig voelt.’

Dat was pijnlijk. Hard ook. Typisch Nederlands misschien: duidelijk, maar zonder verpakking. Ik schoot vol en baalde daarvan. Ik ben 67, ik hoef toch niet in een café te gaan zitten huilen omdat vrienden op reis willen.

Maar het ging helemaal niet alleen om die reis. Het ging om het besef dat een hechte vriendschap niet automatisch dezelfde toekomstvisie betekent. Dat ik van verbondenheid misschien ongemerkt bezit had gemaakt.

Later, thuis, zei Kees toen we samen de vaatwasser inruimden: ‘Misschien zijn we niet alleen boos op hen. Misschien zijn we ook bang voor hoe leeg het hier soms voelt.’ Dat was precies het. Hun vertrek legde iets bloot waar ik liever omheen praatte.

Een week daarna ben ik bij Els langsgegaan. Geen café, geen publiek, gewoon aan haar keukentafel in joggingbroek. Ik zei: ‘Ik ben gekwetst geweest, en dat ben ik deels nog steeds. Maar volgens mij heb ik jullie plan gehoord als een afwijzing van ons, terwijl het misschien meer een keuze vóór jezelf is.’

Els kreeg tranen in haar ogen en zei: ‘En ik heb te makkelijk gedaan over wat het voor jullie betekent. Alsof een foto van een camperplek in Oostenrijk genoeg is om veertig jaar nabijheid te vervangen. Dat is natuurlijk onzin.’

We hebben het niet volledig opgelost. Ze gaan nog steeds. In september. We hebben nu afgesproken om één keer per twee weken echt te bellen, niet alleen losse appjes, en als ze terug zijn kijken we verder zonder meteen alles dicht te timmeren. Het is minder dan ik hoopte en meer dan ik eerst dacht te krijgen.

Ik leer nu dat vriendschap op onze leeftijd niet betekent dat je recht hebt op elkaars tijd, maar ook niet dat je moet doen alsof afstand geen pijn doet. Misschien is echte loyaliteit niet vasthouden, maar eerlijk durven zeggen wat het afscheid met je doet. Hebben jullie ook gemerkt dat vriendschappen veranderen na pensioen, en hoe ga je om met die teleurstelling zonder elkaar kwijt te raken?