Ze gingen ineens zonder mij op vakantie, na veertig jaar vriendschap, en ik weet nog steeds niet of ik te veel vroeg of zij te vroeg loslieten
Ik stond met mijn telefoon in mijn hand in de keuken toen ik de foto zag. Henk en Marianne, allebei breed lachend voor hun camper, ergens aan een blauw meer. Gardameer, stond erbij. “Even heerlijk met z’n tweeën weg”. Mijn koffie was al lauw, de afwas van gisteravond stond er nog, en ik voelde ineens zo’n harde steek van binnen dat ik op een stoel moest gaan zitten. Niet omdat ze op vakantie waren, maar omdat ik er pas via Facebook achter kwam. Na veertig jaar vriendschap.
We waren altijd met z’n vieren. Mijn Paul en ik, Henk en Marianne. Eerst via de kinderen op voetbal, later gewoon omdat het klikte. We aten bijna elke vrijdag samen, eerst uitgebreid met wijn en stoofpot, de laatste jaren wat eenvoudiger: quiche, soep, stokbrood. We hebben samen op campings gestaan in Drenthe, in Zeeland in de regen gezeten, een keer een huisje in de Ardennen gedeeld waar de cv het niet deed. Toen Paul prostaatkanker kreeg, stonden zij er. Toen Marianne haar moeder verloor, zat ik drie avonden per week bij haar op de bank. Zo werkte het gewoon tussen ons.
Tot Paul overleed, nu anderhalf jaar geleden.
Iedereen zegt dat het eerste jaar het ergst is, maar ik vond vooral het tweede jaar confronterend. In het eerste jaar word je nog gedragen. Er zijn kaarten, bakjes lasagne, mensen die zeggen: “Bel me als er iets is.” In het tweede jaar wordt er verwacht dat je weer een beetje meedraait. Alsof verdriet houdbaar is.
Ik belde Henk en Marianne veel, dat weet ik ook wel. Eerst om praktische dingen. Of Henk even kon kijken naar de cv. Of Marianne zin had om mee te gaan naar het ziekenhuis, omdat ik zelf ook onderzoeken had en dat wachten in zo’n hal alleen niet trok. Daarna belde ik ook vaker zomaar. Omdat het stil was. Omdat ik ’s avonds niemand meer had om tegen te zeggen dat Heel Holland Bakt weer flauw was. Omdat ik soms om half vier wakker werd en dacht: als ik nu niemand spreek, besta ik dan nog wel een beetje?
In het begin waren ze lief. “Natuurlijk, Johanna, we komen even langs.” Of: “Zal ik aardappels meenemen?” Maar ik merkte al snel dat er iets verschoof. Marianne nam vaker niet op. Dan appte ze later: “Was even fietsen” of “Lagen net in bad”. Henk werd zakelijker. “Ik kan donderdag tussen tien en elf wel even komen kijken.” Tussen tien en elf. Alsof ik een afspraak bij de tandarts was.
Ik zei er niks van, tot die foto van het Gardameer. Ik appte Marianne: “Gezellig dat ik dit zo moet zien.” Niet chique, weet ik. Maar ik was kwaad en gekwetst tegelijk.
Ze belde vrij snel. “Johanna, doe nou niet zo. We wilden het nog vertellen.”
“Wanneer dan? Als jullie weer terug waren?”
Ze zuchtte. Dat geluid alleen al maakte me woest. “We kunnen toch ook weleens met z’n tweeën weg?”
“Natuurlijk wel,” zei ik, veel te scherp. “Maar jullie weten hoe ik erbij zit. Jullie weten ook dat we dit altijd samen deden.”
Toen bleef het even stil. Ik hoorde op de achtergrond servies. Toen zei ze: “Dat is precies het probleem, Jo. Alles wat we doen lijkt tegenwoordig om jouw verdriet heen te moeten passen.”
Ik weet nog dat ik letterlijk naar de keukentegels staarde. Die ene met dat kleine barstje rechtsboven. Alsof mijn hoofd ergens houvast zocht.
“Mijn verdriet?” zei ik. “Mijn man is dood, Marianne. Niet mijn goudvis.”
“Dat weet ik ook wel,” zei ze. “Maar wij zijn ook ouder aan het worden. We willen rust. Een dag niets. Een week weg zonder schuldgevoel. Gewoon even ons eigen leven.”
Ik hing op. Heel laf, maar ik kon niet anders.
Een week later ben ik toch gegaan toen ze vroegen of ik koffie kwam drinken. Ik had mezelf voorgenomen rustig te blijven. Marianne had appeltaart gehaald van de bakker, zo’n nette vlaaiachtige waar Paul altijd van zei dat het geen echte appeltaart was. Henk schonk koffie in en zei vrij direct: “We moeten dit uitpraten.”
Ik zei: “Prima.”
Marianne keek me aan zoals je naar iemand kijkt die je niet kwijt wilt, maar ook niet meer helemaal begrijpt. “We houden van je, dat weet je. Maar het wordt ons te veel. Als jij drie keer per dag appt en dan schrijft ‘laat maar’ als ik niet meteen reageer… dat voelt niet fijn.”
“Drie keer per dag is overdreven.”
Henk trok zijn wenkbrauwen op. “Vorige dinsdag zeven berichten.”
Daar zat ik dan. Een vrouw van 64, die gecorrigeerd werd op haar appgedrag.
Ik zei: “Dus dit is het dan? Na alles wat we hebben meegemaakt?”
“Nee,” zei Marianne zacht. “Maar vriendschap is niet hetzelfde als altijd beschikbaar zijn.”
Dat vond ik op dat moment een walgelijke zin. Te modern, te therapeutisch. Ik heb ook gezegd: “Jullie laten me vallen nu ik jullie nodig heb.” En Henk zei, heel Nederlands, heel droog maar niet gemeen: “Nee, wij proberen overeind te blijven in iets waar we langzaam in worden meegezogen.”
Daar ben ik weken boos over geweest. Ik vertelde het aan mijn zus, en die koos meteen mijn kant. “Schandalig,” zei ze. Maar ergens bleef die zin van Henk hangen. Meegezogen.
Ik ben toen, eerlijk gezegd uit pure koppigheid, naar een ontmoetingsgroep voor mensen in de rouw gegaan in het buurthuis. Ik vond het vreselijk de eerste avond. Slappe koffie, kringgesprek, iedereen met zo’n mapje. Maar er zat een vrouw, Els, die zei: “Ik dacht dat mijn vriendin mijn nieuwe man moest worden, maar zij wilde gewoon mijn vriendin blijven.” Iedereen lachte een beetje zuur, inclusief ik. En ineens schaamde ik me.
Niet omdat ik geen steun mocht willen. Wel omdat ik ongemerkt alles op twee mensen was gaan leggen. Mijn paniek, mijn lege avonden, mijn administratie, mijn behoefte om herinnerd te worden aan wie ik vroeger was. Alsof Henk en Marianne niet alleen mijn vrienden, maar ook mijn vangnet, dagbesteding en geweten moesten zijn.
Dat maakt hun keuze niet minder pijnlijk. Nog steeds niet. Toen ik later hoorde dat ze met een paar anderen een spelletjesavond hadden gedaan zonder mij, heb ik weer gehuild als een kind. Rouw maakt je niet waardiger, heb ik gemerkt. Alleen gevoeliger.
Vorige maand ben ik bij hen gaan eten. Voor het eerst in lange tijd zonder verwijten in mijn keel. Marianne maakte andijviestamppot, veel te zout zoals altijd. Henk zette een kaars op tafel en zei: “Fijn dat je er bent.” Niet: fijn dat het weer normaal is. Gewoon dat.
Ik heb toen gezegd: “Ik ben boos geweest, maar ik snap nu beter dat ik te veel van jullie ben gaan vragen.” Marianne pakte mijn hand en zei: “En wij hadden eerder eerlijker moeten zijn.” Dat was alles. Geen grote verzoening. Geen oude situatie terug. We eten nu eens in de drie weken samen, niet elke vrijdag meer. Ze gaan nog steeds soms zonder mij weg. En ik ben begonnen met wandelen met Els op dinsdagochtend. Het is niet hetzelfde als vroeger, maar misschien is dat ook precies de les.
Ik dacht altijd dat echte vriendschap betekende dat je er onvoorwaardelijk bent, zeker in slechte tijden. Nu denk ik dat vriendschap misschien ook betekent dat je de waarheid durft te zeggen voordat liefde omslaat in verwijt. Hoe zien jullie dat: moet een goede vriend in een rouwperiode bijna alles opvangen, of mag je ook grenzen trekken zonder dat het verraad is?