‘Ga jij dan maar alleen’: na 34 jaar in dezelfde vriendengroep stond ik ineens tussen mijn man en mijn eigen eenzaamheid
‘Als jij gaat, hoef je voorlopig ook niks meer voor mij te regelen.’
Mijn man zei het niet hard, maar juist dat rustige maakte het zo pijnlijk. Hij stond in de keuken met zijn leesbril nog op, de waterkoker sloeg net af en ik had mijn weekendtas al half ingepakt op de eetkamerstoel gelegd. Ik voelde mijn wangen gloeien. Niet alleen van boosheid, maar ook van schaamte. Alsof ik iets stiekems deed, terwijl het ging om een weekend met mensen die we al ruim dertig jaar kennen.
‘Het is het jubileumweekend, Hans. Iedereen gaat. We hebben dit zelf ooit bedacht.’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Ja, ooit. Toen ik nog elke maand zin had om alles te regelen. Ik ben op, Marijke. Echt op.’
Dat woord bleef hangen: op.
Hans en ik zijn allebei begin zestig. Jarenlang waren wij dat stel dat alles organiseerde. Etentjes, fietstochten, een borrel na het wandelen, een weekend in Drenthe of Limburg, kaartjes voor een cabaretvoorstelling in Amersfoort, altijd was Hans degene die de appgroep in beweging kreeg. “Ik regel wel even wat,” zei hij dan. En dat deed hij ook. Restaurant bellen, huisje zoeken, datumprikker erachteraan, rekeningetjes bijhouden in een notitieboekje. Onze vriendengroep leunde daarop, en eerlijk gezegd ik ook.
Toen Hans vorig jaar met pensioen ging, dacht ik dat het gezellig zou worden. Meer rust, ja, maar ook meer tijd voor elkaar en voor de mensen om ons heen. Alleen gebeurde het tegenovergestelde. Hij was de eerste maanden alleen maar moe. Niet een beetje moe, maar zo moe dat hij na een verjaardag twee dagen stil kon zijn. Hij zei steeds vaker af. Eerst één keer. Toen nog een keer. Daarna begon hij ook op uitnodigingen niet meer meteen te reageren.
‘Je hoeft toch niet overal naartoe?’ zei hij.
Nee, natuurlijk niet. Maar voor mij waren die afspraken niet zomaar “overal”. Onze vriendengroep was mijn ritme. Mijn reden om me aan te kleden als ik somber was. Mijn houvast nu de kinderen al jaren de deur uit zijn en mijn werk in de bibliotheek ook is gestopt. Ik heb in mijn leven eerder sombere periodes gehad, en ik voelde die leegte alweer langs de randen opkruipen. Dat heb ik hem ook gezegd.
‘Ik wil niet de hele week alleen maar in huis zitten wachten tot het weer avond is,’ zei ik.
Hans keek toen naar buiten, naar de grijze tuin. ‘En ik wil niet elke maand het gevoel hebben dat ik moet presteren voor iedereen.’
Dat begreep ik ook. Echt. Alleen begon het schuiven. Mensen appten mij apart. Of het wel goed ging met Hans. Of ze iets verkeerd hadden gedaan. Waarom hij zo afstandelijk was. En of ik misschien toch alvast voor de brunch van april kon reserveren, “zoals altijd”.
Ik ging pleasen, zoals ik vaker doe. ‘Ik kijk wel even,’ stuurde ik. ‘Ik laat het weten.’ Ondertussen maakte ik soms gewoon zelf afspraken. Een lunch met Ingrid. Koffie bij Pauline. Een wandeling met Kees en Anja. Ik vertelde het thuis pas laat, of pas als het al in de agenda stond.
‘Moet dat nou weer?’ vroeg Hans dan.
‘Voor mij wel, ja.’
‘Maar waarom stiekem?’
Omdat ik geen zin meer had in dat gezicht van hem, dacht ik. Dat teleurgestelde, vermoeide gezicht waardoor ik me meteen schuldig voelde. Alsof mijn behoefte aan mensen automatisch een aanval was op zijn behoefte aan rust.
De spanning thuis werd klein en venijnig. Geen schreeuwpartijen, maar prikken. Hij zuchtte als mijn telefoon pingde. Ik deed overdreven luchtig als ik zei dat ik “even de stad in” ging. We zaten vaker zwijgend tegenover elkaar met de krant open en de televisie te hard.
Het jubileumweekend maakte alles erger. Veertig jaar vriendschap, had Ingrid in de groepsapp gezet. Een huisje op de Veluwe, met partners, vrijdag tot zondag. Oude foto’s terugkijken, samen eten, beetje wandelen. Precies het soort weekend dat Hans vroeger zelf zou hebben geregeld.
Hij reageerde als enige niet.
Die avond zei ik: ‘Ik wil gaan.’
Hij antwoordde bijna meteen: ‘Ik niet.’
‘Dan ga ik alleen.’
Daarna viel die zin van hem in de keuken.
Ik ben toch gegaan, maar niet meteen. Eerst heb ik mijn tas weer uitgepakt en heb ik een uur op bed gezeten. Niet prinselijk verdrietig, gewoon leeg. Uiteindelijk ben ik naar beneden gegaan en heb ik gezegd: ‘Ik kies niet tegen jou als ik ga. Ik kies vóór mezelf.’
Hans ging zitten, ineens ouder dan hij de laatste jaren had geleken. ‘En wanneer kiest iemand een keer voor mij?’ vroeg hij.
Dat brak iets open bij mij. Niet omdat ik opeens vond dat hij gelijk had, maar omdat ik hoorde hoeveel wrok er onder zat. Al die jaren had hij geregeld, geduwd, gedragen, ook voor mij. Misschien had niemand ooit gevraagd of hij dat eigenlijk nog wilde.
We hebben die avond voor het eerst echt gepraat. Zonder verwijtenlijstje. Hans zei dat zijn pensioen hem zwaarder viel dan hij had verwacht. Dat hij zich gebruikt voelde zodra de groep alleen appte als er iets georganiseerd moest worden. Dat hij bang was dat zijn hele pensioen zou bestaan uit “moeten genieten”. Ik zei dat ik bang was om in een stil huis te verdwijnen, om niet meer nodig te zijn, om weer somber te worden. Dat ik daarom zo krampachtig aan die groep hing.
De volgende ochtend ben ik alleen naar de Veluwe gegaan. Niet triomfantelijk, eerder met buikpijn. Het was fijn en ongemakkelijk tegelijk. Mensen vroegen waar Hans was, en voor het eerst heb ik niet gezegd dat hij “een beetje moe” was. Ik zei gewoon: ‘Hij trekt het sociale op dit moment niet zo goed. En ik wilde toch komen.’ Toen werd het eigenlijk rustiger. Eerlijker ook. Ingrid zei: ‘We dachten al dat hij ons zat te ontwijken.’ En ik zei: ‘Misschien een beetje, maar niet omdat jullie hem niks waard zijn.’
Sindsdien is het niet perfect. Hans gaat nog steeds lang niet overal mee naartoe. Ik spreek vaker alleen af en soms met maar één iemand tegelijk. De groep is kleiner geworden, losser ook. En thuis proberen we tenminste niet meer elkaars behoefte verdacht te maken.
Ik dacht altijd dat trouw betekende dat je samen hetzelfde doet. Nu denk ik dat trouw soms betekent dat je elkaars verschil leert verdragen zonder elkaar kwijt te raken. Hoe zouden jullie hiermee omgaan: kies je in zo’n fase vooral voor je partner, of moet er juist ruimte blijven voor een eigen sociaal leven?