‘Kunnen jullie ons een jaar loslaten?’ Toen die ene vraag onze vriendschap van dertig jaar op losse schroeven zette

‘Dus eigenlijk zeg je dat wij een jaar even niet moeten langskomen?’ hoorde ik mezelf vragen, veel scherper dan ik van plan was. Mijn hand lag nog op de rugleuning van hun eetkamerstoel. De koffie was koud geworden. Aan de overkant van de tafel keek Kees me aan met die vastberaden blik die ik de laatste maanden vaker bij hem zag. Naast me schoof mijn man Jan ongemakkelijk heen en weer. En naast Kees zat Marijke, mijn beste vriendin sinds ons oudste kind nog op de basisschool zat, met haar vingers om haar mok geklemd alsof die haar overeind hield.

‘Nee, zo moet je het niet brengen, Els,’ zei Kees. ‘Ik zeg alleen: we gaan een andere fase in. Ik stop helemaal met werken, we willen naar Portugal en later misschien ook naar Griekenland voor dat vrijwilligersproject. Dat vraagt focus. Geen vaste sociale verplichtingen meer, niet elke week die donderdagavond alsof er niks verandert.’

Elke week die donderdagavond. Alsof het een hinderlijke gewoonte was. Voor mij was het nooit zomaar een afspraak geweest. Dertig jaar lang aten we om de beurt bij elkaar. Eerst met kinderen die onder de tafel lagen te giebelen, later met studerende pubers die alleen nog binnenvielen om eten mee te grissen, en de laatste jaren gewoon met z’n vieren: een pannetje saté, een fles wijn, kaarten op tafel, en vooral het gevoel dat er altijd iemand was die wist hoe het echt met je ging.

‘Voor jou is het misschien een verplichting,’ zei ik. ‘Voor mij is het vriendschap.’

Jan legde even zijn hand op mijn arm, zo’n klein gebaar van rustig aan. Maar ik was al te geraakt. Niet alleen door Kees, ook door Marijke, die al een halfuur bijna niets zei.

‘Zeg jij ook niks?’ vroeg ik haar.

Ze slikte. ‘Ik vind het gewoon lastig.’

Dat woord, lastig. Zo Nederlands, zo klein voor iets wat zo groot voelde.

Marijke zou over vier maanden ook met pensioen gaan. We hadden er juist veel over gepraat. Dat we bang waren voor te lege dagen. Dat Jan het prima vond om te wandelen en in de schuur te rommelen, maar dat ik behoefte hield aan ritme en mensen. Marijke had laatst nog in mijn keuken gestaan en gezegd: ‘Als ik straks niet meer werk, ben jij wel een beetje mijn reddingsboei, hoor.’ We hadden erom gelachen, maar ik wist dat ze het meende. Ik ook.

Kees haalde diep adem. ‘Ik zeg niet dat we geen vrienden meer zijn. Maar ik wil niet dat alles blijft zoals het was omdat verandering voor anderen ongemakkelijk is.’

‘Voor anderen?’ zei ik. ‘Je hebt het over je eigen vrouw alsof zij een obstakel is.’

‘Nou, kom op zeg,’ zei hij. ‘Dat maak jij ervan.’

Jan mengde zich eindelijk in het gesprek. ‘Misschien bedoelt Kees gewoon dat hij nu eindelijk ruimte pakt voor iets wat hij belangrijk vindt.’

Ik keek hem aan. ‘En wat vind jij dan? Dat wij maar even moeten wachten tot het hun weer uitkomt?’

Hij zuchtte. ‘Ik vind dat niemand recht heeft op een vaste avond, Els.’

Dat deed misschien nog wel het meeste pijn. Omdat er ergens ook waarheid in zat. Vriendschap is geen abonnement. Maar wat mij stak, was niet dat de donderdag veranderde. Het was de toon. Alsof wij ingepast of weggestreept konden worden afhankelijk van hun nieuwe planning.

Marijke begon eindelijk te praten. Zacht, maar duidelijk. ‘Ik wil best mee met Kees. Echt. Ik gun hem dit ook. Hij heeft jaren geroepen dat hij na zijn pensioen iets nuttigs wilde doen. Maar ik zie ook op tegen alles wat verdwijnt. Mijn werk, mijn ritme… en als ik dan ook jou minder zie…’ Ze keek naar mij en moest even wegkijken. ‘Dan voelt het alsof ik in één keer te veel kwijtraak.’

Er viel een stilte waarin je de klok in de gang kon horen tikken.

Kees stond op om nieuwe koffie te zetten, wat hij altijd doet als hij spanning wil wegpoetsen. Vanuit de keuken zei hij: ‘Maar ik kan toch niet mijn plannen klein houden omdat jij steun nodig hebt van Els? Dat is toch niet eerlijk?’

‘Nee,’ riep ik terug, ‘maar het is ook niet eerlijk om te doen alsof haar behoefte aan steun iets kleins of lastigs is.’

Op de terugweg in de auto zei Jan eerst niets. De ruitenwissers gingen heen en weer; het miezerde zoals het in november eindeloos kan miezeren. Bij het stoplicht zei hij: ‘Je schoot wel in de verdediging.’

‘Omdat zij zichzelf niet verdedigde,’ zei ik.

‘Of omdat jij bang bent haar kwijt te raken.’

Daar had hij me. Ik zei niks meer.

De weken erna appte Marijke minder. Niet uit onwil, denk ik nu, maar omdat ze tussen twee loyaliteiten in zat. Als ik vroeg of ze koffie wilde drinken, zei ze vaak: ‘Ik laat het je weten.’ Dat had ze vroeger nooit. Uiteindelijk ben ik bij haar langsgegaan, op een dinsdagochtend, gewoon met een appeltaart van de Hema onder mijn arm omdat ik iets in handen moest hebben.

Ze deed open in haar joggingbroek. ‘Ik wist niet of ik blij moest zijn dat je kwam of bang moest zijn voor gedoe,’ zei ze meteen.

‘Dat is tenminste eerlijk,’ zei ik.

Aan haar keukentafel hebben we voor het eerst zonder de mannen gepraat. Echte woorden, geen keurige zinnen. Ze vertelde dat Kees al maanden bezig was met dat project, met online vergaderingen, fondsenwerving, talen oefenen. Dat hij zich voor het eerst in jaren niet meer ‘bijna afgeschreven’ voelde. Ik schrok van dat woord. Ik had alleen mijn verlies gezien, niet zijn opluchting.

Maar Marijke zei ook: ‘Ik wil niet kiezen. En toch voelt het alsof ik moet kiezen tussen een leven met hem en een leven waarin ik mezelf ook nog ergens vasthoud.’

Toen heb ik iets gezegd wat ik eerder had moeten zeggen: ‘Ik hoef niet elke donderdag. Ik hoef alleen niet behandeld te worden alsof wat wij hebben bijzaak is.’

Ze begon te huilen, heel stil. ‘Dat was het voor mij ook nooit.’

Sindsdien is het anders, maar niet kapot. De vaste donderdag bestaat niet meer. Soms videobellen ze vanuit Faro of waar ze dan ook zitten en zie ik op de achtergrond een wit balkon en wasgoed in de wind. Soms drink ik met Marijke koffie als Kees in een online overleg zit. Minder vanzelfsprekend, minder vaak, maar eerlijker. Ik heb ook moeten leren dat trouw zijn aan een vriendin niet betekent dat ik haar moet vasthouden zoals het was.

Ik denk nog steeds dat je een oude vriendschap niet zomaar ‘on hold’ zet alsof het een yogales is. Maar ik snap nu ook beter dat verandering niet altijd een afwijzing is, zelfs als het wel zo voelt. Hebben jullie ooit meegemaakt dat een hechte vriendschap moest meebewegen met de keuze van een partner, en hoe vond je daarin de balans zonder elkaar kwijt te raken?