Alleen Nog Één: Een Nacht Zonder Moeder in Utrecht
‘Mam, waar blijf je nou?’ fluister ik tegen de stilte die als een zware deken over onze kleine flat in Kanaleneiland ligt. Buiten zakt de nacht als stroop door de Utrechtse straten, de oranje lichten weerspiegeld in de natgeregende ramen. Ik houd mijn mobieltje tegen mijn oor, luisterend naar een stem die nooit komt. De elektronische vrouwenstem van de provider snijdt door mijn hoop: ‘De door u gekozen abonnee is niet bereikbaar.’ Woede en verdriet botsen door mijn lijf. Mijn vingers trillen als ik mijn mobieltje uitzet, want ik weet dat er nauwelijks nog beltegoed is – een zoveelste gevolg van alles wat we missen. Op de klok zie ik hoe laat het is. Hoe lang kun je in vredesnaam over een boodschap doen?
Laat ik me voorstellen: ik ben Julka, zestien jaar, vastgekluisterd aan deze rolstoel sinds het ongeluk vorig jaar. Sindsdien, zo lijkt het, rolt het leven in een andere versnelling aan me voorbij. Alles draait om planning, logistiek, afhankelijkheid. Of, misschien nog vaker, om wachten.
‘Rustig Julka, misschien is er vertraging bij de kassa,’ probeer ik mezelf toe te spreken. Maar een stemmetje in me knaagt: het duurt te lang. Te lang. En ineens duw ik me van de tafel af, snel naar het raam. Mijn hart bonkt als ik staar naar de lantaarnpalen, de verlaten stoep, de schaduwen die dansen. ‘Waar ben je, mam?’ fluister ik opnieuw in het donker.
Mijn vrees groeit. Het is niet de eerste keer dat ze te lang wegblijft. Niet sinds papa ons verliet, toen was ik acht. Mijn oudere broers – Jeroen en Mike – zijn al uit huis, boos weggevlucht van mijn moeders chaos. Sindsdien zijn we nog maar met z’n tweeën, en steeds vaker lijk ik haar te verliezen aan haar eigen demonen. De schaduw van hun ruzies hangt nog in de lucht hier. ‘Alles is míjn schuld, altijd míjn schuld!’ hoorde ik haar laatst snauwen tegen Mike, net voordat hij het huis verliet en nooit meer echt terugkwam.
Het piepen van de voordeur brengt me terug naar nu. Mijn adem stokt. Maar het is niet mijn moeder. Het is de buurvrouw, mevrouw Van Dijk. Ze woont schuin onder ons, altijd klaar met roddels en te weinig begrip. ‘Is je moeder er nog niet, Julka?’ Haar voice klinkt nieuwsgierig, met een scherp randje.
‘Nee mevrouw,’ zeg ik met een klein stemmetje, bang dat ik elk moment ga huilen.
‘Zal ik iemand bellen?’
‘Nee, het komt wel goed, denk ik,’ lieg ik.
Maar het voelt alsof ik weer acht jaar oud ben, wachtend tot iemand zich om me bekommert. Ze knikt en steekt haar hoofd naar binnen. ‘Als je iets hoort, moet je het zeggen hè meisje. Het is geen buurt om in de avond alleen te zijn.’
‘Heeft u misschien… haar gezien bij de supermarkt?’ waag ik voorzichtig.
Ze schudt haar hoofd. ‘Misschien zit ze nog ergens op een bankje, je weet hoe ze soms is.’
Haar woorden steken, maar ze heeft gelijk. Soms lijkt mijn moeder te vergeten dat ik haar nodig heb, alsof de zware dagen haar volledig opslokken en er niets meer overblijft voor mij.
Als de avond stiller wordt, raken mijn gedachten op drift. Mijn maag knaagt, maar ik heb geen energie om mezelf naar de keuken te rollen. Wat als er iets ernstigs is gebeurd? Een ongeluk, of erger: wat als ze gewoon niet meer terugkomt? De sluimerende angst dat ik haar definitief verloren heb, wringt zich als een koude hand om mijn keel.
Rond elf uur dwaalt mijn blik naar de muur, naar de foto waarop we samen lachen, afgelopen zomer in het Griftpark. Eén van de zelden dagen waarop het leven licht voelde. Mijn schouders schokken als ik nu huil, zachtjes, want niemand mag het horen.
‘Waarom kwam het allemaal zover?’ mompel ik tegen het verleden. Mijn moeder was altijd al wankel; ze worstelde met depressie sinds ik me kan herinneren. Vroeger, toen papa er nog was, hielden haar goede dagen langer stand. Nu lijkt ze te verdwijnen in haar hoofd, net zoals die keren dat ik haar vond, starend uit het raam, de koffievlekken op het tafelkleed, de verhoudingen zoek.
Plots voel ik een lichte beweging door het huis: mijn telefoon trilt onverwacht. Een onbekend nummer. Mijn hart slaat over. ‘Met Julka…?’ fluister ik voorzichtig.
‘Hallo, spreek ik met de dochter van mevrouw Koster?’ Een mannelijke stem, kalm en logisch, alsof hij iedere dag slecht nieuws brengt.
‘Ja, dat ben ik. Wat is er met mijn moeder?’
‘Uw moeder is gevonden, bij het station. Ze was wat in de war, maar ze is nu in het ziekenhuis voor onderzoek. U hoeft zich geen zorgen te maken, maar ze wilde u niet ongerust maken.’
De opluchting stroomt door me heen als tranen. ‘Mag ik haar spreken?’
‘Dat is helaas nu niet mogelijk, maar ik zal het doorgeven.’
Als ik ophang, tuur ik naar het plafond en laat alles op me inwerken. Dus dit is het. Zelfs nu, als alles zwart om me heen wordt, ben ik nog steeds alleen. Mijn moeder probeert alles samen te houden, maar haar wereld breekt steeds verder af. Kan ik haar ooit nog terugvangen, of is alles al verloren?
De nacht slijt verder, elk uur zwaarder dan het vorige. Ooit waren we met z’n vieren, toen met z’n drieën, en nu lijkt er van ons gezin alleen nog maar één over. Ik.
‘Papa, had je ons ooit kunnen redden? Jeroen? Mike? Als jullie nu binnen zouden lopen, zouden jullie dan blijven?’ De vragen kaatsen tegen de muren van mijn lege kamer. Alles wat ooit gewoon was, is nu een labyrint van gemis, schuld en eindeloos wachten.
Aan iedereen die dit leest: wat zou jij doen, als je weet dat je belangrijkste persoon zomaar ineens kan verdwijnen? Wie blijft er over, als familie langzaam verdwijnt?