Laatste Omhelzing aan de Oever van de IJssel: Woorden van Mijn Broer die Eeuwig Blijven Klinken
‘Je durft toch niet, Leona,’ hoor ik Martijn fluisteren, terwijl zijn ogen fonkelen met die ondeugende blik die ik zo goed ken. De vertrouwde geur van nat gras en rivierwater hangt loodzwaar in de lucht. Mijn vingers tintelen van spanning en onzekerheid. Onze laarzen zakken diep weg in de modder van de schuine oever; de IJssel kabbelt zachtjes, alsof het niets kan gebeuren — maar binnen in mij stormt het.
‘Martijn, pas op,’ sis ik. Maar ik durf mijn angst nooit te laten zien. Hij lacht, een jongenslach die meer klinkt als een uitdaging dan als vrolijkheid. ‘Kom op, Leona. Wie van ons is nou de stoerste?’
We zijn nog maar kinderen, twaalf en dertien, vastgeklampt aan elke zonnige minuut die we in de zomervakantie vangen kunnen. Mama roept soms dat Martijn te wild is, dat ik verstandiger moet zijn. Maar als hij me aankijkt, vergeet ik haar waarschuwingen. Ik wil dat hij trots is, dat ik zijn favoriete zus ben — zijn enige overigens.
Die middag aan de IJssel is alles anders. Op de achtergrond hoor ik het zachte gezoem van fietsers op het dijkje. Onze moeder pakt bloemen in de tuin, niet wetend dat we van het pad af zijn gedwaald, het stijgende gras in, naar het water dat onweerstaanbaar lokt.
‘Je kan het niet,’ zegt hij nogmaals. Mijn hand trilt een beetje als ik mijn voet in de richting zet die hij wijst. ‘Martijn, ik durf wel,’ zeg ik, al geloof ik mezelf nauwelijks. Hij springt van de ene kei op de andere, tot aan de waterkant. Voor hij verder klimt, draait hij zich plots naar me om. Serieuze grote mensenogen in het gezicht van een slungelige puber. ‘Leona, je moet altijd op jezelf vertrouwen, oké? Je bent sterker dan je denkt.’
Op dat moment weet ik niet waarom hij het zegt. Misschien voelt hij iets wat ik niet voel, een ontragisch voorgevoel, of is het gewoon Martijn de Filosoof zoals alleen hij dat kon zijn. Mijn keel doet pijn van de spanning, en ik vraag me af of ik later ooit sterk genoeg zal zijn, voor hem, voor ons.
Dan struikelt hij. Het water lijkt gretig, haast blij over zijn val. Eerst denk ik nog dat het spel is — dat hij lacht omdat hij overdrijft. Maar er komt geen gelach. Geen stoere woorden. Enkel een paniekerige blijk, en daar, terwijl onze handen uitreiken maar elkaars vingers net niet raken, roept hij:
‘Zorg goed voor mama…’
Zijn stem echoot nog lang na. Het water slokt hem op en ik gil, gil tot het geluid wegsterft over de weilanden. Het duurt een eeuwigheid voor er iemand komt. Een visser, een sirene in de verte, stemmen die alleen maar vragen stellen, maar nooit antwoorden geven.
Die avond zit ik zwijgend aan de keukentafel. Mijn kleren drogend naast de radiator. Mama ontploft tussen verdriet en onbegrip. ‘Hoe had je hem niet kunnen tegenhouden, Leona?’ Haar woorden zijn harde kiezels, slingerend over mijn hart. Papa zegt niets, zijn hand op mijn schouder zwaar als een steen, maar hij kijkt me niet aan. De stilte in ons huis kraakt als laminaat in de winter.
Dagen worden weken. We dragen zwart maar niemand vraagt waarom ik niet huil. Op school fluistert iedereen. ‘Heb je het gehoord? Haar broer…’ De juf vraagt of ik erbij wil zitten als we over verlies praten. Ik zwijg, want er is niets om te zeggen, vooral als niemand de juiste woorden weet te vinden.
De enige die probeert is mijn oma. ‘Soms kiest het water,’ fluistert ze terwijl ze mijn haar aait, ‘maar het is nooit jouw schuld, meisje.’ Maar ik voel Martijns ogen altijd vanaf de oever, woedend op mijn lafheid, spottend met mijn angst.
Mama verandert. Voor haar wordt elke rivier een monster; ik mag nergens meer alleen heen. Zelfs mijn vriendinnen worden wantrouwig bekeken. De stilte aan tafel wordt routine. Papa is steeds later thuis, zijn gezicht getekend door iets wat ik niet begrijp.
Jaren later is het nog steeds mei als Mama me vraagt om samen naar de IJssel te gaan. ‘Voor Martijn,’ zegt ze. Haar ogen trillen. We lopen zwijgend langs het water. De wind jaagt rimpels over het oppervlak. Mama kijkt me aan, voor het eerst in tijden echt. ‘Denk je dat hij gelukkig zou zijn geweest, als hij was gebleven?’ Haar stem is een fluistering, nauwelijks hoorbaar boven het gekabbel van het water.
Ik weet het antwoord niet, maar ik pak haar hand. In dat moment voelt het bijna alsof Martijn tussen ons in staat — nog één keer zijn hand op mijn schouder, zijn lach door de lucht. ‘Weet je nog,’ lach ik schor, ‘hoe hij mij altijd uitdaagde, hoe hij zei dat ik sterker was dan ik dacht?’
Mama glimlacht flauwtjes. ‘Dat zie ik nu, hoor.’ Voor een ogenblik vervagen de scherpe lijnen van verdriet. ‘Weet je, Leona, misschien moeten we eindelijk weer proberen vooruit te kijken. Voor hem, voor elkaar.’
Die nacht lig ik wakker. Martijns woorden echoën nog steeds:
‘Je moet altijd op jezelf vertrouwen, oké? Je bent sterker dan je denkt.’
Misschien heeft hij gelijk. Misschien ben ik sterker nu. Maar kan ik ook ooit echt op mezelf vertrouwen, zonder dat zijn stem in mijn hoofd blijft fluisteren? Of draag ik hem altijd met mij mee — zijn laatste blik, zijn laatste woorden — zolang ik leef?